Categoriearchief: Binnenstad & Buitenleven

De tuinen van Sorgvliet of Catshuis

Gisteren 16 augustus 2024 werd in verband met de verbouwing van het Binnenhof de ministerraad voor het eerst niet meer gehouden in de Trèveszaal, maar in het Catshuis. Dit huis heeft een lange geschiedenis, maar wat ons natuurlijk speciaal interesseert is de geschiedenis van de tuinen. In 1998, schreef ik in de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel Noord- en Zuid-Holland) de volgende tekst over deze destijds beroemde tuinen:

J. van den Abeele. Een der schoonste Gesigten ’t Vermaarde Park van Sorgvliet. Parterre, daarachter huis, daarachter oranjerie. Collectie RCE
Spuij, A. van der (1837); Springer, L.A. (1908); Architectenbureau Z. Hoek en J.T. Wouters (1911); Gorter – ter Pelkwijk, A.J.

“In 1643 kocht de raadpensionaris en dichter Jacob Cats (1577-1660) gronden aan in de duinen tussen Den Haag en Scheveningen. Het terrein werd doorsneden door de Haagse Beek. Cats, die in Zeeland ervaring had opgedaan met het in cultuur brengen van landaanwinningen en daar een fortuin mee verdiend had, zag nu zijn kans schoon om ook hier iets moois te verrichten. Hij gebruikte het water uit de beek voor het bevloeien van zijn land en mengde de bagger uit de beekbedding, en later uit de inmiddels gegraven sloten en visvijvers, met fijn duinzand als bemesting. Hij liet het aanwezige grove oerzand verwijderen om hiermee dijken te leggen rondom de jonge aanplant. Op deze manier toverde hij de dorre duinen om in een lustoord.

In 1651 liet hij pas een huis bouwen, naar ontwerp van Lodewijk Huygens, in de trant van het werk van Pieter Post. Dit huis lag oorspronkelijk op een omgracht terrein. Aan de voorzijde van het huis lag een plein en achter het huis waren mogelijk al bloemperken. Buiten de omgrachting kwam men direct in het omringende duinterrein. De aanleg is te beschouwen als een goed voorbeeld van een Hollandse ‘villa suburbana’, zoals die in de zestiende eeuw in Italië werden aangelegd.

In 1656 schreef Jacob Cats een hofdicht op Sorghvliet. Het eerste deel gaat over het ouder worden en het tweede deel behelst een beschrijving en verheerlijking van het buitenleven, gecombineerd met de literatuur. Cats roemt in zijn gedichten ook de spijzen van het land. In 1684 verscheen Tachtig jarig leven, en huyshouding, of kort begrijp van het buyten leven op Sorghvliet. Cats heeft slechts acht jaar op Sorghvliet gewoond. In 1675 werd Hans Willem Bentinck, de latere superintendant van de tuinen van Willem III en Mary in Nederland en Engeland, de nieuwe eigenaar. De tuinen en boomgaarden dateren waarschijnlijk uit zijn tijd. Hij liet bovendien in 1676 een halfcirkelvormige oranjerie bouwen buiten het omgrachte terrein, die de afsluiting vormde van een as van symmetrie loodrecht op de voorzijde van het huis. Deze oranjerie kreeg grote bekendheid vanwege de gewassen die erin gekweekt werden. Daarnaast hield hij uiteenlopende diersoorten in een menagerie. Volgens de tuinarchitect L.A. Springer werden de tuinen door Bentinck, in samenwerking met Philips III Doublet van Clingendael, Constantijn Huygens jr. en Christiaan Huygens, verrijkt en versierd met priëlen, volières, terrassen, (schelpen)grotten, cascades en visvijvers.
Het meest opvallende in deze tuinaanleg is dat de loop van de kronkelende Haagse beek ongemoeid werd gelaten. Dit gebeurde op advies van Johan Maurits van Nassau-Siegen. Tsaar Peter de Grote van Rusland bezocht Sorghvliet en Honselersdijk tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1697.
In de achttiende eeuw werd Sorghvliet in opdracht van Willem Bentinck in landschapsstijl veranderd. In 1837 kocht kroonprins Willem het terrein en liet het door A. van der Spuij in kaart brengen. Het afgebeelde landschapspark is vooral bijzonder omdat de slingerende waterloop een echte, natuurlijke beek is, die zeker het uitgangspunt voor het landschappelijke ontwerp zal zijn geweest. Later voegde Willem II de buitenplaatsen Buitenrust en Rustenburg aan Sorghvliet toe, met de bedoeling op het totale terrein een nieuw paleis te laten bouwen. Dit plan heeft echter geen doorgang gevonden.
Na de dood van Willem II in 1849 begon de verkoop van delen van Sorghvliet. In 1902 werd een deel tot villapark bestemd en in 1904 gaf de tuinarchitect H.A.C. Poortman adviezen voor de plaats van het Vredespaleis op de delen van de voormalige buitenplaatsen Buitenrust en Rustenburg en voor een verkavelingsplan. De villawijk Zorgvliet is in die periode gebouwd. De tuinarchitect L.A. Springer maakte hiervoor in 1908 een verkavelingsplan, dat echter niet werd uitgevoerd omdat men vreesde dat er, evenals bij zijn in 1901 gemaakte plannen voor de Haarlemmerhout, erg veel bomen zouden moeten verdwijnen. Het architectenbureau Z. Hoek en J.T. Wouters was verantwoordelijk voor het uiteindelijke verkavelingsplan Zorgvliet. De opzet bestaat uit een min of meer landschappelijke aanleg met een gebogen stratenpatroon. Tussen 1913 en 1915 werden er meer dan 64 monumentale villa’s en herenhuizen gebouwd in een historische stijl. In 1920 werd het deel van de oorspronkelijke buitenplaats dat niet bebouwd mag worden ommuurd.
De Staat der Nederlanden werd ten slotte in 1955 eigenaar en in 1961 werd het tegenwoordige Catshuis als ambtswoning van de minister-president in gebruik genomen. Het beheer van het park valt sindsdien onder de Dienst Domeinen. Het park Sorghvliet is vooral de moeite waard in het voorjaar, wanneer de vele stinseplanten bloeien: gevlekte aronskelk, Italiaanse aronskelk, sneeuwklokjes, sterhyacint, wilde hyacint, bosanemoon en knikkende en gewone vogelmelk.”

In 2002 heeft ons bureau advies gegeven aan Bureau Anneke Nauta en Ank Bleeker Landschapsarchitecten, over de beplanting van de tegenwoordige Catstuin. De resultaten zijn te vinden in “Kort onderzoek naar historische planten uit de tijd van Jacob Cats (1577-1660)‘. In hoeverre deze plannen zijn uitgevoerd of zijn meegewogen is ons niet bekend. We zijn er na ons bezoek t.b.v. het advies niet meer uitgenodigd.

Dit korte overzicht op de geschiedenis van de tuinen van Park Sorgvliet / Catshuis is mede bedoeld om alle leden van de ministerraad bewust te maken en te informeren  over de historische tuinen bij het Catshuis, die velen van hen gisteren waarschijnlijk voor het eerst betraden.

Frieda Hunziker 1908 – 1966. Nieuwe aanwinst: Boerentuin bij Heerlen door Frieda Hunziker, 1943.

Overzichtstentoonstelling Frieda Hunziker, Galerie Simonis & Buunk, Ede.

Catalogus Tentoonstelling Stedelijk Museum 1961. Met overzicht van voornaamste werken sinds 1945 en korte biografie. Fotografie en Lay-out Frits Swart (zoon van Frieda)

F.H.    zijn de initialen van een vriendin van mijn moeder en als deze initialen zich voordoen in het zwart, op rood fond , dan is het me duidelijk dat ze de naam ‘Frieda Hunziker’ betekenen. Bovenstaand boekomslag van een catalogus van het Stedelijk Museum uit 1961 was van deze initialen voorzien als indicatie dat de tentoonstelling haar werk betrof.

Dit boekwerkje draag ik al bij me sinds het overlijden van mijn moeder (1978), maar sinds kort is de ware betekenis van Frieda en haar werk pas echt tot me doorgedrongen. In het Utrechtse huis van mijn ouders (ze woonden daar van 1945 tot 1971) en mogelijk ook al in hun huis in Amsterdam daarvoor,  hing sinds ik me kan herinneren een groot stilleven van Frieda in de zitkamer, getint in zachte kleuren, een aquarel, met o.a. een afbeelding van een kalebas en een O.I. Kers. Het zei me niet veel, ik liep er twintig jaar aan voorbij en heb het tenslotte ter veiling aangeboden. Ik heb er geen spijt van want nu ik veel meer schilderijen van Frieda heb gezien, weet ik dat dit stilleven uit de toon viel (waarschijnlijk een zeer vroeg werk uit haar academietijd) en totaal niet paste bij haar krachtige persoonlijkheid.

Vorige week las ik in de Volkskrant dat er bij Galerie Simonis en Buunk in Ede een verkooptentoonstelling is van Frieda’s schilderijen en tekeningen, afgewisseld met nog enige werken van vrienden- en tijdgenoten-schilders,  o.a. Karel Appel, Corneille, Ger Gerrits en Piet Ouborg. De bijbehorende catalogus is rijk voorzien van kleurenfoto’s van haar werken.  Ik dus op pad naar Ede.

Als tuindeskundige was ik vooral direct gefascineerd door een olieverfschildering op papier uit 1943, van een boerentuin bij een woning in Heerlen, hieronder afgebeeld, nu in os bezit.

Frieda Hunziker. Boerentuin bij een woning in Heerlen. Ca. 1943. Part. Collectie

Dit schilderij dateert van 1943, toen zij Joodse kinderen met de trein naar Zuidoost-Limburg bracht om hen daar te laten onderduiken. Ook zullen enkele landschappen in die tijd zijn ontstaan, zoals het schilderij Juliamijn Eygelshoven uit 1943 (afgebeeld in de catalogus van Galerie S.& B.). Als dekmantel voor haar verblijf op het platteland, liet zij bij aanhouding haar persoonsbewijs zien (met vermelding van beroep schilderes) en vertelde zij degene die haar hierom vroeg dat zij de kinderen een dagje meenam zodat zij in de frisse buitenlucht konden spelen.

Ik heb altijd geweten dat Frieda en mijn moeder vriendinnen zijn geweest, maar nooit heb ik me afgevraagd hoe ze elkaar eigenlijk kenden. Ik heb het nu uitgezocht. Beiden zijn geboren in 1908 in Amsterdam-West en hun beider eerste adres was in de Wilhelminastraat (Frieda nr. 93 II hoog en mijn moeder nr. 95 III hoog). In 1929 verhuisden beide gezinnen en hun nieuwe adres was Brederodestraat 96 (Frieda II hoog en mijn moeder III hoog). Het is heel wel mogelijk dat de vriendinnetjes op dezelfde Lagere School en MULO hebben gezeten (op de Overtoom?) totdat zij in 1924 op 16-jarige leeftijd beiden naar het vervolg-onderwijs gingen (Frieda naar het Rijksinstituut voor tekenleraren (1924-1928) en mijn moeder naar de Avondschool / Cursus Boekhouden (1924-1926?). In 1932 trouwde mijn moeder en verliet zij de ouderlijke woning; in 1934 Frieda idem. Frieda kreeg een zoon (Frits Swart, geboren in 1937) en mijn moeder Mies Amse kreeg een dochter (Carla Ebbers in 1939). Beiden zijn tot het overlijden van Frieda in 1966  met elkaar bevriend gebleven.

Geraadpleegde bronnen:

Tentoonstellingscatalogus Simonis & Buunk. Frieda Hunziker 1908-1966. Frieda Hunziker. Een vitale wereld in kleur en vorm. Met biografisch verhaal van Wim Hazeu. Ede, 2024. De tentoonstelling duurt nog t/m 31 augustus 2024.

Frits Swart (fotografie en Lay-out). Frieda Hunziker. Catalogus Stedelijk Museum, 1961.

Stadsarchief Amsterdam.

https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Hunziker.

Enorm groot eikapsel van een Blonde Rog gevonden door kleindochter Lune

juli 2024, strand Schiermonnikoog.

Zie website www.schelpenmuseum.nl, onder knop ACTUEEL

Eikapsel van Blonde Rog gevonden op Schiermonnikoog door Lune. Juli 2024. Foto Thijs de Boer

Foto en tekst overgenomen van website Schelpenmuseum Paal 14, Schiermonnikoog:

Blonde rog
Raja brachyura (Lafont, 1873)
Lune Moonen uit Nijmegen trof op 4 juli dit enorm grote eikapsel. Het is het eikapsel van een blonde rog. Deze rog kan meer dan een meter lang worden en komt voor in de Atlantische Oceaan, Noordzee en Middellandse Zee.
Eikapsels van deze soort zijn zeldzaam aan onze stranden.

Een onbekend portret van Freule Daisy (eigenaar Clingendaal van 1903-1939)

Onlangs ontving ik een vraag van Cascade-vriend Joost Gieskes over een portret van Freule Daisy van Clingendael. Voor tuinhistorici is Freule Daisy oftewel Marguerite Mary Barones van Brienen van de Groote Lindt (1871-1939) een bekende persoonlijkheid, evenals zij  dat was voor de rensport.

Naar een portret van haar had ik nooit gezocht, maar ik kende haar wel een beetje uit verhalen omdat een veel oudere goede bekende van mij met haar bevriend was geweest. Na wat vragen heen en weer werd mij het portret opgestuurd, met de mededeling dat het om een tekening ging, maar waar deze zich bevond was onbekend. Onder de tekening is een vrij onleesbare handtekening te lezen en daaronder eveneens onleesbaar waarschijnlijk een adres in London.

Portret van Marguerite Mary barones van Brienen van de Groote Lindt (1871-1939). Gesigneerd Keturah Collings. 73 Park Street. Techniek tekening? Collectie onbekend. Fotokopie

Het is bekend dat Freule Daisy vanaf haar jeugd intensieve contacten onderhield met de hoogste kringen rond het Britse hof. Daardoor mocht Clingeldaal veelvuldig Engelse gasten ontvangen. De barones haar contacten waren meer Engels dan Nederlands,  en ook de aanleg van haar Japanse tuin (1913) en later haar ‘Dutch garden’ op het landgoed Clingendael sloten nauw aan bij datgene wat er in Engeland in kasteeltuinen in de mode was geraakt in het begin van de twintigste eeuw.

Allereerst zocht ik in de National Portrait Gallery. Daar vond ik meteen een naam die sterk op de ondertekening leek, namelijk van de fotograaf Keturah Ann Collings (1862-1948). Van haar waren 5 portretten afgebeeld, waaronder twee fotogravures van vrouwen. Deze portretten waren niet gesigneerd, dus ik wist niet met zekerheid of het dezelfde naam was als die op het portret van Freule Daisy stond.

Keturah Collings. [ca. 1905-1914]. Portret van jkvr. Louise Elisabeth Hermine van Heemstra– Holmberg de Beckfelt (1880-1952). Platinadruk. Coll. Rijksmuseum.                                                                                    
Nog maar eens verder zoeken dan. Als ik iets niet kan vinden waarvan ik vermoed dat het best eens een belangrijk kunstobject of een belangrijk persoon kan zijn, ga ik zoeken in de Rijksstudio (Studio Rijksmuseum). Daar vond ik onder Keturah Collings een portret van een tweede Nederlandse dame, namelijk van jkvr. Louise Elisabeth Hermine Holmberg de Beckfelt (1880-1952), die in 1908 trouwde met Schelto baron van Heemstra (1875-1935), kapitein infanterie, ordonnansofficier van koningin Wilhelmina, secretaris der Koninklijke Nederlandse Roei- en Zeilvereeniging. Collings signeerde dit portret op dezelfde wijze als dat van Freule Daisy, met haar naam en hetzelfde adres, dat nu wel leesbaar was, 73 Park Street.

Zouden beide dames samen tijdens een uitstapje naar London zich door Keturah Collings hebben laten portretteren? Ik kan niet nagaan of Freule Daisy en jkvr. Louise Holmberg de Beckfelt bevriend waren, maar je zou het haast wel gaan denken.

Voor verdere aanwijzingen omtrent het portret houd ik me aanbevolen.

Wilt u zich meer oriënteren over Clingendael, ga dan naar cascade1987.nl en toets in de vraagbalk ‘Clingendaal’ in.

Gebroeders Copijn in 1892

(grotendeels overgenomen  van de Biltsche Courant.nl (12 juli 2024):

“Landgoed Jagtlust (gemeente De Bilt) heeft een hoge monumentale waarde. Dat concludeert een door het Biltse college ingehuurd onafhankelijk bureau (Bureau Contrei) in april jongstleden. Stichting Werkgroep Behoud Jagtlust, sinds zomer 2022 in touw voor een monumentenstatus, ziet het als een belangrijk en bepalend stuk werk. Het rapport is nu ook ter beschikking gesteld van de raadsleden, echter nog niet openbaar.

Genoemde stichting ziet het rapport van het onafhankelijke Rotterdamse bureau Contrei als een zeer goed beargumenteerde beschrijving van al de redenen die noodzaken om Landgoed Jagtlust en omgeving aan te wijzen tot monument. Recent sprak ook de oudste en nationale erfgoedvereniging, de Bond Heemschut, zich uit in een brief aan de Biltse raad.”

(overgenomen uit de Biltsche Courant.nl, 3 december 2023):

“De rijke geschiedenis van Jagtlust onthult steeds weer nieuwe verhalen. In het Stadsarchief van Amsterdam dook een kasboekje op van de familie Boissevain, die tussen 1892 en 1906 op Jagtlust verbleef. Uit dat kasboekje blijkt dat een groot bedrag werd uitgegeven voor de aanleg van de tuin rondom Jagtlust door de firma [Gebroeders H. en P.G.] Copijn, toen al boomkweker en tuinarchitect in Groenekan en zelfs hofleverancier van Z.M. de Koning. Later werd ook nog een aanbetaling gedaan voor de aanleg van een rozentuin. De familie Boissevain deed er alles aan om van het gebied rondom Jagtlust een waar lustoord in de Engelse Landschapsstijl te maken. [Gebroeders] Copijn zou daarvan de ontwerper zijn geweest. Het resultaat van het onderzoek en afbeeldingen van het kasboekje zijn te lezen in het decembernummer (2023) van De Biltse Grift.”  Helaas niet digitaal, maar wel in de studiezaal van Het Utrechts Archief (HUA) te lezen en te fotograferen.

Hierna volgen de documenten waarin de koop van Jagtlust (1892 door Jan Boissevain) en de werkzaamheden van de Gebroeders Copijn (aanleg en tekening van de plaats) worden genoemd. Helaas is het ontwerp van de aanleg rond het huis  (nog) niet teruggevonden.

Aanleg van de plaats door Gebr. Copijn volgens aanneming en tekening. Stadsarchief Amsterdam

Met dank aan Lia Copijn en Anja Guinee.

Hollandse iep (Ulmus xHollandica) en de schiere monnik

Hollandse iep en de Schiere Monnik

Hollandse iep (geplant ca. 1920) in Park Willemshof in het centrum van Schiermonnikoog. Foto Carla Oldenburger

Midden in het dorp Schiermonnikoog staat tegenover het gemeentehuis, in Park Willemshof, een goed gezonde Hollandse iep van bijna 100 jaar oud. De boom staat vlakbij het beeld van de ‘schiere monnik’. Het woord schier betekent eigenlijk grauw en in dit geval geeft het woord schier de kleur aan van de monnikspij, die grauw of grijs moet zijn geweest, net als de wol van de schapen op Schier.
De bladeren van een iep zijn te herkennen aan een scheve bladvoet en een gezaagde bladrand. In Friesland werden vroeger veel iepen aangeplant en de schors (een zeer gegroefde schors) werd als veevoer gebruikt. Mogelijk werden deze iepen daarom veel in het centrum geplant, voor iedereen bereikbaar.

Nu staan er in de buurt van de Willemshof jongere iepen in laantjes aangeplant (o.a. Kerkelaantje), ook afgewisseld met beuken. Iepen zijn goed bestand tegen de zeewind, vandaar ook dat ze het hier goed doen misschien en niet zoals op andere plaatsen het nogal eens gauw begeven.
De schiere monnik is een beeld uit 1961 van de beeldhouwer Martin van Waning. Hij verwijst met dit beeld naar de monniken van het Cistercienzer  klooster Claerkamp. Het klooster op Schier was een Uithof van Klooster Claerkamp in Rensumageest.

Mijn dagelijkese uitje tijdens de oorlogsjaren, naar de Geuzenhof

De Geuzenkade was de plaats waar mijn wieg heeft gestaan. We woonden begane grond en we hadden een eigen tuin met zandbak en bloemenperken, maar toch wilde ik als peuter en kleuter elke dag met mijn vader de kippen en fazanten en pauwen bezoeken en een blaadje sla gaan brengen.

We woonden precies in de bocht van de Geuzenkade en vanaf hier was de Geuzenhof om de hoek, een binnentuin binnen het complex flatwoningen aan de Geuzenstraat. DE TUIN WAS TOEN OPENBAAR TOEGANGKELIJK, NU NIET MEER, MAAR VANDAAG STAAT DE POORT OPEN WANT HET IS OPEN TUINEN DAG.

Geuzenhof, (bouwdeel 1, voltooid 1935). Architect Jacob Dunnebier. Tuinarchitect Mien Ruys. Volière met pauwen, kalkoenen, of fazanten en kippen. Stadsarchief Amsterdam

In de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (deel 3, 1998), tekst Carla Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok, schreven we de volgende tekst:

“In de wijk De Baarsjes ligt een grote, langgerekte binnentuin ontworpen door Mien Ruys met allerlei speelvoorzieningen. De aanleg is uitgesproken architectonisch van opzet en toont eerder een late Jugendstil dan de van haar bekende modernistische signatuur. Er komen veel halfronde vormen in voor en afgeronde hoeken en twee symmetrische, gekromde paden. De tuin bestaat eigenlijk uit twee delen, die in elkaars verlengde liggen en die behoren bij de woonblokken Geuzenhof 1 en Geuzenhof 2, die de tuin bijna geheel insluiten. Als voorzieningen zijn twee zandbakken opgenomen, een speelplaats, een volière en zelfs een telefooncel. Volgens Ruys hadden deze tuinen een opvoedende werking. Zij voorzagen niet alleen in een gezonde vorm van buitenspelen, maar waren ook een stimulans voor de esthetische beleving van het groen. Zij zag tuin en architectuur als onafscheidelijke eenheden. In ‘de 8 en Opbouw’ van 1942 schreef zij onder meer over gemeenschappelijke tuinen: ‘Deze gemeenschappelijke tuinen kunnen vooral in arbeiderswijken een grote sociale verbetering brengen. […] Een juist aangebrachte beplanting kan de architectuur van het gebouw accentueren, maar het is ook mogelijk het karakter, de zuivere lijn van een huis te schaden door een verkeerde groepering.’ Zij was wars van het gebruik van hekken en voorzag dat spelende kinderen vanzelf belangstelling en waardering zouden krijgen voor de beplanting. Het geheel is nog grotendeels volgens de oorspronkelijke opzet en wordt gerestaureerd door de gemeente Amsterdam.”

 

Geuzenhof Amsterdam, 2023 (?). Grind en tegels op de plaats van de voormalige volière. Zie hierboven. Beeld Jakob van Vliet. Overgenomen van Parool-artikel
Geuzenhof Amsterdam West, Ontwerp ca. 1935, opgeleverd met volière, zandbakken en vijvertje.  Stadsarchief Amsterdam

Huis Verwolde en 5 bekende tuinontwerpers tussen 1776 en 1981

Onlangs bracht de Stichting SKBL Huis Verwolde weer eens onder de aandacht. Jammer genoeg kwam de geschiedenis van de tuin daarbij niet erg royaal uit de verf.  Voor ons een aanleiding om juist nog eens op die geschiedenis te wijzen en er dieper op in te gaan. De tekst nemen we grotendeels over van onze eigen Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 2 (1996), auteurs Carla Oldenburger-Ebbers, Anne Mieke Backer en Eric Blok.

Laren (Gld.), Kasteel Verwolde. Eerste wijziging tuinontwerp Hugo Poortman, 1922. Coll. Geldersch Landschap en Kasteelen

De (tuin)architecten / tuinontwerpers die hier werkten, geven we in groen aan, daarop klikken en vervolgens bij ‘Beschrijving’ op vinkje klikken; dan verschijnt een uitgebreidere tekst.

Beschrijving Historische Tuin Verwolde:

Kasteel Verwolde staat op de plaats van een middeleeuwse voorganger. In 1738 werd het huis gekocht door A.P. van der Borch. Zijn zoon liet in 1776 door de stadhouderlijke architect P.W. Schonck een nieuw huis optrekken in Lodewijk XVI-stijl. Ook maakte Schonck een nieuw ontwerp voor de tuinen, met bloementuin en moestuin. Zijn ontwerptekeningen voor de tuinen zijn echter verloren gegaan. De zonnewijzervaas uit 1778 is eveneens naar ontwerp van Schonck. Op de zogenaamde ‘Hottingerkaart’ (1783) is duidelijk een eerste landschappelijke aanleg te zien binnen het oudere lanenstelsel.

Circa 1795 maakte de architect J.P. Posth een nieuw ontwerp voor de tuinen. Hij liet het grachtenstelsel vergraven tot een slingervijver. In de weiden vóór en achter het huis ontwierp Posth bloemperken en heesterpartijen in de geest van de Engelse tuinarchitect Humphrey Repton. Hij ontwierp bovendien enkele rondlopende wandelingen, terwijl hij daarnaast enkele delen van oude lanen handhaafde. Ook de boomgaarden en moestuinen werden door golvende paden omgeven. In de negentiende eeuw werd er weinig aan het park veranderd.
Laren (Gld.), Kasteel Verwolde, ca. 2015. Foto Wikipedia
Tijdens de verbouwing van het huis vanaf 1926, waarbij onder andere de toren werd aangebouwd, werd een nieuw tuinontwerp gemaakt door de tuinarchitect H.A.C. Poortman. Het pinetum, dat in 1921 was aangelegd, nam Poortman in zijn plannen op. Hij liet een deel van de slingervijver dempen, zodat aan de zuidzijde van het huis de begane grond door middel van een terras met trap met de tuin verbonden kon worden. Achter het huis ontwierp hij een grasparterre met een dubbelmonogram van de letter L. Daarachter creëerde hij een verdiepte ommuurde parterre-de-broderie met aan weerszijden gazon, en als afsluiting daarachter een 50 meter diep gazon, dat door bloemenborders en taxushagen werd begrensd. Het ontwerp voor deze ‘mixed-borders’ liet Poortman door J.W.M. Sluiter maken in de stijl van Gertrude Jekyll. Deze stijl kenmerkt zich door het gebruik van vaste planten in borders, gerangschikt op kleur en hoogte. Voor het huis kwam ook een gazon te liggen. Het hele ontwerp van Poortman ligt binnen een dubbel grachtenstelsel en vormde een overgang naar het omringende park in landschapsstijl.
Op het binnenterrein ligt ook een oranjerie, die sinds 1988 als theeschenkerij wordt gebruikt.
Huis en tuinen werden in 1977 aan de Stichting Geldersche Kasteelen overgedragen. Vanaf 1980 zijn de tuinen in vereenvoudigde vorm gerestaureerd, gebaseerd op het ontwerp uit 1926. De nieuwe beplanting van de lange bloemenborders werd door mevrouw M.E. Canneman-Philipse, bekend van haar tuin op De Walenburg in Langbroek, ontworpen. Op het landgoed Verwolde is ook de zogenaamde ‘Dikke Boom’ te bewonderen; een zeer imposante eik, waarvan gezegd wordt dat dit de dikste eik van Nederland is, met een stamomtrek van ruim 751 cm. De route naar deze boom is met kleine wegwijzers aangegeven en ook leiden verschillende uitgezette wandelroutes hierlangs.
Het Huis Verwolde is in historische trant ingericht en opengesteld voor publiek. Vanaf 20 juni t/m 17 oktober kan men deelnemen aan de Grand Tour, uitgebreide rondleidingen op donderdagen en zondagen.

 

Buitenplaats / Herberg ‘Meerhuizen’, later de ‘Pauwentuin’, aan de Amsteldijk

Juliet bekijkt de nieuwe aanwinst, een prent van De Paauwentuin aan de Amstel. Part. CollectieFoto Walther Schoonenberg

Juliet bekijkt hierboven een nieuwe aanwinst, een prent van de Paauwentuin aan de Amstel, getekend door Adolf van der Laan (ca.1720 – 1730). De tuin staat pas bekend onder de naam Paauwentuin vanaf 1642, toen deze naam in een verkoop-akte werd vermeld. De naam was afgeleid van de vorige eigenaar Michael Paauw. Uiteindelijk is deze verkoop niet doorgegaan. Het huis langs de Amsteldijk, met zijn karakteristieke toren werd als buitenplaats gebouwd tussen 1605 en 1626, onder de naam Meerhuizen. De tuin achter het huis werd in de tijd van eigenaar Michael Paauw gebruikt als ’theetuin’ (zie de geknipte schaduwboom en de berceau op de prent) en voor het kolfspel, waarbij de bal met een slaghout tegen een paal wordt geslagen (zie de palen links en rechts in het veld). Ook deed het huis dienst als herberg. Op de Amstel ziet men veel zeilboten die in formatie zeilen als een soort vlootschouw, ook Admiraalzeilen genoemd.

 

Paau, en Tuyn, detail van gravure getiteld Amsterdam aan de Land Zijde van den Buyten Amstel aan te zien. Tek. A. van der Laan; uitgegeven door Andries de Leth.Part. Collectie.  Foto Walther Schoonenberg

De uitspanning trok bezoekers uit heel Amsterdam en ook Rembrandt zou er te gast zijn geweest. Rond 1850, na talloze wisselingen van eigenaar, werd de herberg gesloopt.

Topografische Kaart Nederland van Nederland, 1894. In het midden, op linker-oever van de Amstel, de buitenplaats Meerhuizen, even ten noorden van de Berlage-brug

Veel artikelen uit onze tijd vermelden dat het Huis Meerhuizen of de Paauwentuin was gevestigd op de hoek van de Amsteldijk en de Ceintuurbaan, op de plaats waar later de Willibrorduskerk werd gebouwd, die ook al weer is afgebroken. Topografische kaarten van Nederland laten echter zien dat Meerhuizen (of de Paauwentuin) even ten noorden van de Berlagebrug was gelegen, ongeveer op de plaats van Roeivereniging Nereus, op de linkeroever van de Amstel. Ook de Meerhuizenstraat en het Meerhuizenplein liggen precies op die hoogte. Op de plaats van de Willibrorduskerk stond vóór de bouw van deze kerk -langs de Amstel, op de hoek van de Ceintuurbaan- Herberg Beerebijt.