Drie gevelstenen Keizersgracht 175, Amsterdam. Foto’s Walther Schoonenberg en website VVAG / Gevelstenen van Amsterdam. Voorstelling van Out Schaep, De Bonte Os en Jong Lam, telkens links vóór en rechts na restauratie
Het is tegenwoordig de gewoonte aan het eind van het kalenderjaar een overzicht te geven van wat men zoal privé of zakelijk heeft bereikt in het leven, door een lijstje te presenteren van werkzaamheden en resultaten over het afgelopen jaar. Eigenlijk riekt het mij te veel naar reclame, maar aan de andere kant is het natuurlijk ook best leuk voor lezers die ons een warm hart toedragen, om te zien wat ons werk uiteindelijk heeft opgeleverd. Te meer omdat wij vanaf 2016 al proberen naast de ontwikkeling van groen erfgoed, ook kleuronderzoek en -toepassing in de architectuur een volwaardige plaats te geven. Dit laatste onderwerp begint nu langzaamaan steeds een belangrijker rol te spelen.
Juliet op de steiger tijdens restauratiewerkzaamheden van de gevelstenen op Keizersgracht 175. Foto Walther Schoonenberg
Hieronder volgt nu het lijstje adviseringen en projecten van Bureau Binnenstad & Buitenleven over 2022, afgewisseld met enige foto’s.
TENSLOTTE WENSEN JULIET EN CARLA OLDENBURGER U EEN GELUKKIG, VREDIG EN GEZOND 2023.
Artikelen:
a) Carla en Juliet Oldenburger. Brakestein komt weer tot leven: De tuin van Texels laatste buiten. Het Buiten Jg.4, nr. 10.p. 44-47.
b) Juliet Oldenburger. Reconstructie Koningsplein 10: snoepje en sieraad voor de stad. Binnenstad Jg. 56, nummer 308, p. 49.
c) Juliet Oldenburger. Bezwaren verbouwing Amsterdam Museum. Binnenstad Jg. 56, nummer 308, p. 52.
d) (Carla Oldenburger, medewerking aan artikel van) Peter van Wingerden. Ontdekking in een voormalig stukje Heemstede. Heerlijkheden Jg. 49, nummer 193, p. 3-10.
Ontwerpen: Reorganisatie-ontwerp deel Belmonte Arboretum, Wageningen; Zie Bericht 31 januari 2022.
Vroegbloeier tijdens ons eerste oriënterend bezoek aan Belmonte in januari 2022. Hamamelis mollig ‘Pengo’? Foto Carla Oldenburger
Orientatie-Onderzoeken:
a) Zocher en Frederiksplein Amsterdam. Wat rest er nog van het plan van de Firma Zocher? Bericht 11 oktober 2022.
Lezingen / Colleges: (Juliet docent), college in Module Erfgoed en Ruimte / Erfgoedopleidingen Hogeschool Utrecht.
Website: Losse adviseringen / artikelen, uitgewerkt in 30x ‘Berichten’ op de website oldenburgers.nl en in Bijdragen op LinkedIn.com. Bijv. advies gevraagd door Uitgeverij Blauwdruk m.b.t. 100 jaar BNT; en door de VVAB over de vraag of er nog iets rest van het plan van de Fa. Zocher voor het Frederiksplein te Amsterdam?
Op de website van het Tuinhistorisch Genootschap Cascade (cascade1987.nl) is een rubriek opgenomen met de titel “Eerste kennismaking met…”. Omdat nu in verband met het 100-jarig bestaan van de NVTL (Ned. Ver. Tuin- en Landschapsarchitectuur) weer verschillende tuinarchitecten uit het verleden in het zonnetje worden gezet, wil ik graag op deze website een aantal beschrijvingen (van mijn hand) nog eens herplaatsen om aandacht te vragen voor deze personen uit dit vakgebied.
Inleiding De aanleiding voor dit onderzoekje naar William Kent in Nederland, dateert al van 1975, toen ik bemoeienis had met de nieuwe aanplant van de kruidentuin van Beeckestijn. In dat verband werd mij gevraagd welke kruiden toe te passen. Ik ging om die vraag te beantwoorden op zoek naar een plantenlijst uit de tijd van de verlandschappelijking van Beeckestijn (laatste kwart 18de eeuw) en liefst ook uit de omgeving van Velsen. Ik vond in de Stadsbibliotheek van Haarlem Catalogus Plantarum quarum usus in re medica horti medici Harlemensis, uitgegeven in Haarlem in 1784, met een voorwoord van W. Kent. Natuurlijk dacht ik direct aan de beroemde William Kent, de Engelse landschapsarchitect. Maar hij bleek al te zijn overleden in 1748. En wie dan wel deze William Kent kon zijn, geen idee. Sindsdien is deze interessante vraag blijven liggen totdat ik in 2010 in Cascade Bulletin een artikel las van Ronald van Immerseel over de Haarlemse hortulanus Arent Bolleurs.1) Hij beschrijft ene William Kent, uit London afkomstig en in 1777 benoemd als hortulanus van de Haarlemse hortus medicus. Ook de tuinhistoricus Willem Overmars had William Kent gespot in Nederland. Nu eindelijk maar eens tijd uitgetrokken om deze man(nen) beter te leren kennen, dus op zoek naar meer gegevens over de persoon William Kent in Nederland.
Even het geheugen opfrissen over de Engelse William Kent. Hij werd geboren in Bridlington, Yorkshire, eind 1685 en is overleden in London, 12 April 1748. Deze bekende Engelse landschapsarchitect en interieurontwerper werd 1 Januari 1686 gedoopt als William Cant. Hij is nooit getrouwd geweest en de William Kents, die in Nederland actief zijn geweest, zijn dus zo goed als zeker geen directe afstammeling. De Engelse Kent is in de eerste plaats bekend door de omvorming van de barokke tuinen van Stowe House (1731), die even later ook door Capability Brown onder handen werden genomen. Stowe is onder andere voor de Duits-Nederlandse tuinarchitect J. G. Michael (in dienst van Jacob Boreel op Beeckestijn) een sprekend voorbeeld van een geslaagde landschappelijke aanleg geweest.
Haarlem 1777-1784 De eerste William Kent die we in Nederland tegen komen, heeft dus een connectie met Arent Bolleurs. Deze Arent werd op 26 juni 1784 uit vijf sollicitanten gekozen voor de vrijgekomen post van hortulanus van de Haarlemse hortus medicus in het Prinsenhof (getoonde ill. geeft een beeld van de tuin anno 1689). Er stonden toen zeker ruim 300 plantensoorten in bedden gerangschikt. Bolleurs volgt de uit London afkomstige William Kent op, die in 1777 was benoemd. Uit het feit dat de boven vermelde catalogus dateert uit het jaar van zijn vertrek (of mogelijk pensioen?) bij de hortus, kunnen we constateren dat hij zijn werk in Haarlem degelijk heeft afgesloten met het samenstellen van deze gedrukte plantenlijst. Door een mededeling in de Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken van juli 1779 komen we nog iets meer over deze Kent in Haarlem te weten, want onder Besluyten der Vergader. des Oecon. Taks van 1779 staat geschreven: “… is geresolveerd den Hortulanus William Kent door het ter leen verstrekken van vijftig Dukaaten instaat te stellen tot het ontbieden van Zaaden ten dienste van het Publiecq”. Hij heeft dus een lening gevraagd om zaden te kopen en deze weer aan de burgers van Haarlem uit te delen of te verkopen. Hij deed dit waarschijnlijk vanuit zijn zaadhandel. Uit een advertentie in de Oprechte Haerlemmer Courant van 19 maart 1799 blijkt namelijk dat hij in 1779, maar misschien al veel langer een zaadhandel heeft en ook ‘aanlegger van Engelse tuinen en bloemperken’ is: By William Kent, Aanlegger van Engelsche tuinen en Bloemperken op de Grote Krogt te Haarlem, zijn te bekoomen: Veelerlei fraaije BLOEMZAADEN, de 20 soorten voor één gulden. Waarvan de Gedrukte Lijsten bij hem te bekoomen zijn… Een jaar later vermeldt een familie-advertentie (via CBG) dat ene Elisabeth Kent, weduwe van Gijsbert van der Horst, per 20 november 1800 de zaadwinkel van haar broer heeft overgenomen. Of William dan intussen is overleden is tot heden onbekend. Zuster Elisabeth overlijdt in 1801. In 1802 duikt William (II) Kent op in Harderwijk (zie beneden). Het meest waarschijnlijk is dat het hier gaat om een zoon (met de zelfde naam) van de eerst genoemde William Kent en Louisa Hendrika de Vries (geb. 1779 in Haarlem).2) In de 18de eeuw kwam het vaker voor dat jonge tuinlieden uit Duitsland en Engeland naar Nederland reisden om zich verder in het kwekersvak of als hovenier te bekwamen. Zij zochten bij voorkeur de streek rond Haarlem uit als stageplaats. Zo is bekend dat Zocher sr. in deze zelfde tijd naar Nederland is gekomen. Hij vond werk bij de kweker/tuinarchitect J. G. Michael in Velsen.
Harderwijk 1802 – 1811 (1815) William (II) Kent wordt door H. Veendorp en L. G. M. Baas Becking in het boek Hortus Academicus Lugduno Batavus 1587-1937: the development of the gardens of Leyden University. (Haarlem, 1938) beschreven als hortulanus van de botanische tuin van Harderwijk, tot 1811, toen de universiteit van Harderwijk werd opgeheven. Hij is in 1802 als hortulanus van de hortus in Harderwijk aangesteld. In 1804 werd zijn zoon William (III) Hendrik geboren en in 1810 zijn dochter Maria Elisabeth. Tussen 1800 en 1808 was Caspar G. C. Reinwardt (zie ill.) hoogleraar chemie, natuurlijke historie en botanie aan de Universiteit van Harderwijk en in 1810 werd hij tot hoogleraar aan het Atheneum Illustre te Amsterdam benoemd. Reinwardt en Kent kenden elkaar dus van hun tijd in Harderwijk en het was dan ook niet verwonderlijk dat Reinwardt Kent aanstelde als hortulanus in Leiden. Later vanaf 1816 maakten zij samen wetenschappelijke verzamelreizen in Nederlandsch Indië, in opdracht van de Koninklijke Commissie voor de Koloniën.
Leiden 1811 (1815) – 1816 Na de Franse tijd begon Nederland weer belangstelling te krijgen voor de koloniën. Koning Willem I benoemde Reinwardt met dat doel voor ogen tot directeur van landbouwkundige aangelegenheden, wetenschappen en kunsten, en tot lid van de Koninklijke Commissie voor de Koloniën. In die hoedanigheid vertrok Caspar Reinwardt 29 oktober 1815 vanuit Texel naar Ned. Indie3), in gezelschap van onder anderen William Kent die na een tijdelijk contract tussen 1811 en 1815, in februari 1815 tot hortulanus in Leiden was benoemd. In de tuin staan dan ongeveer 3200 plantensoorten. In 1805 maakte C. H. Persoon een lijst, getiteld Synopsis plantarum. Reinwardt en Kent namen samen deel aan verschillende expedities vanaf 1816. Een jaar later adviseerde Reinwardt aan de koning een botanische tuin te stichten in Buitenzorg bij Batavia, zoals gebeurde in 1817.
Buitenzorg, Nederlandsch-Indië, 1817-1827 Na verscheidene wetenschappelijke verzamelreizen tussen 1817 en 1822 over Java en naar Timor, de Molukken en Celebes, keerde Reinwardt in 1822 terug naar Leiden waar hij in 1823 tot professor in de botanie werd benoemd.4) Uit de uitgegeven correspondentie van Reinwardt komt naar voren dat Kent financieel slecht voor zijn vrouw en kinderen in Leiden zorgde en ook lang niet altijd goed en voldoende werk afleverde. Het klimaat, vermoeidheid en ziektes speelden hem parten. Ook zou het kunnen dat botanisch verzamelen en de zorg voor nieuwe planten hem meer in het bloed zat dan belangstelling voor en verzamelen van tropische dieren. En dat laatste was ook hun opdracht. Tot opvolger van Reinwardt in Buitenzorg was intussen in 1823 dr. C. L. Blume benoemd. Hij beschikte over twee hortulani, James Hooper en William (II) Kent. Kent aanvaardde tenslotte in juni 1825 de functie van adjunct-inspecteur van de koffiecultuur voor het regentschap Limbangan (West-Java).5) Hij overleed aldaar 11 juli 1827. Uit het feit dat het plantengeslacht Kentia (een palm, zie ill.) en verschillende plantenspecies de naam van Kent dragen, mogen we afleiden dat zijn botanische kennis hoog werd aangeslagen.
Franeker 1834-1845; Groningen 1845-1863 William (III) Hendrik Kent werd in 1804 geboren in Harderwijk als zoon van William (II) Kent, de Kent die op dat moment in Harderwijk de functie van hortulanus vervulde, en Louisa Hendrika de Vries. Hij trouwde in Leiden 11 februari 1830 met Maria van der Vlugt. In 1833 nam hij de functie van meesterknecht van de Leidse hortus6) over van Jan Binnendijk, maar hij had meer in zijn mars. Toen de universiteit van Franeker in 1811 werd opgeheven op decreet van Napoleon, is er direct als compensatie een rijks atheneum gesticht en dit bleef bestaan tot 1845, met bijbehorende hortus. In 1812 werden er 293 planten in bakken en potten vanuit Franeker naar Groningen overgebracht. In Franeker was tot 1811 Arent Vlaskamp hortulanus, de broer van de overgrootvader van Gerrit Vlaskamp aan wie deze zomer (2014) een tentoonstelling in het Fries Museum was gewijd. Na Leiden is Willem (III) Hendrik Kent heel snel in Franeker te werk gesteld want zijn zoon William (IV) Kent werd in 1834 in Franeker geboren.7) Deze laatste trouwde in 1860 in Baarderadeel met Johanna Maria Tjepkema en bleef in de hortus werkzaam tot de sluiting van het atheneum. De laatste periode van zijn werkzame leven heeft William IV de post van hortulanus in Groningen vervuld. Hoe lang hij in deze stad de hortus heeft mogen leiden is mij onbekend, maar ik neem aan tot 1863, omdat zijn naam met dit jaartal op een gedenksteen staat, die is ingemetseld in de muur van de tegenwoordige hortus in Haren, Kerklaan 34.
De voorlopige conclusie van dit onderzoekje is dat minstens vier generaties Kent met de naam William (H.) Kent in Nederlandse botanische tuinen werkzaam zijn geweest, te weten in de horti botanici (medici) van Haarlem, Harderwijk, Leiden, Buitenzorg, Franeker en Groningen. William (II) Kent noemde zich naast hortulanus ook “Aanlegger van Engelse tuinen en bloemperken”. Wat een mooie conclusie. Het begint aardig op de Zochers, de Copijnen, de Van Lunterens, etc. te lijken. En dit is nog maar een begin. Wie pakt het op?
Carla Oldenburger 15 september 2014.
1) Ronald van Immerseel, Minder in tel en aanzien, en toch toch ook knap is eene Boleurs. De Haarlemse hortulanus Arent Bolleurs en zijn zoon Jan, Cascade Bulletin 19 (2010), nr.1. p. 33-45. 2) Cyclopaedia of Malesean Collectors (www.nationaalherbarium.nl/fmcollectors). 3) P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 4, Leiden 1918. 4) T. W. van Heiningen, The correspondence of Caspar Georg Carl Reinwardt, Den Haag, 2011; Andreas Weber. Hybrid Ambitions: Science, Governance, and Empire in the Career of Caspar G.C. Reinwardt (1773-1854). Leiden, 2012. 5) Colonial Collection (KIT). Leiden University Libraries. Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië. 1 January 1896, p. 280. 6) Aktenummer 12, Collectie Archief van de ambtenaar van de burgerlijke stand Leiden, 1816 – 1928, Deel: 4821, Periode: 1830, Boek Huwelijken 1830. http://genbook.dordtenazoeker.nl/Overige%20Genealogie%C3%ABn/binnendijk_leiden.htm. 7) William Kent IV (geb. Franeker 27 juni 1834 – overl. ?). Getrouwd 12 juli 1860 in Baarderadeel met Johanna Maria Tjepkema (Dronrijp, 1838 – overleden (?).
Leo van der Meer leverde 22 sep 2014 meer gegevens aan:
26 augustus 1785 Verkoping in Haarlem. Willem Kent. (Opbrengst ƒ 358 – 5 – 4 NAH oud archief kast 31-254)
21 juni 1787 Oprechte Nederlandsche courant (Delpher) HAARLEM, den 16 Juny. Gepasseerde week by U Ed. in de Stad zynde, spraken wy onder anderen over de onbezonnenheid van het tekenen van Oranje-Requesten, en konden niet begrypen de mooglykheid, dat iemand bezield met een eerlyk hart, zich in de bresse konde stellen voor zulk eenen Willem den Vyfden, de bron van alle onheilen, daar ons Vaderland onder zucht; maar helaas! thans zien wy hier in onze Kwartieren onder Heemstede, eene Vrouwe, die zich daar toe door drift laat vervoeren; ik zeg drift, dewyl my verzekerd word, dat ze gantsch niet van natuurlyk verstand en oordeel onteloor is. Deze Vrouw is, Mevrouwe (“van haar zelf eene Juffrouw van der Hoeven, zuster van de Ex-Burgemeester en Raad van der Hoeven, te Rotterdam, hun Voorouderen worden in de GRONDWETTIGE HERSTELLING wegens geheime Deuren te Rotterdam, duidelyk genoeg aanstipt”) de Weduwe van den eerlyken, braven Menschen Vriend, den Heer JAN HOPE, in leven Raad en Schepen enz. enz. van de Stad Amsterdam, een man wanneer hy noch in leven was, onder het getal van de wezentlvke Vaderlanders, een plaats zou bekleed hebben; want hy konde geen onderdrukking noch ongerechtigheid dulden; dit was zyn Natuur! Deze Mevrouw heeft dan een Oranje – Request opgesteld, of laten opstellen; daar ze haar Tuinman William Kent, een Engelschman, (hier overal te Hillegom en te Haarlem bekend, en zelfs haar benadeeld) mede heeft rond gezonden, om te doen tekenen. Haar onnozele Werklieden, die naauwlyks weten wat een Request is, heeft ze zulks opgedrongen, en de genen die weigerden te tekenen, gecasseerd. Hier by heeft ze het niet laten berusten, te Heemstede is dit fraai stuk ook gepresenteerd, en de genen die zulk weigerden, alle met haar ongenade gedreigd. Wat dunkt U Ed. van zulk eene Vrouwe? steld ze haar drie Zoonen (Jongelingen van groote verwagting, Edel van inborst, om nuttig te zyn aan de zamenleving) niet bloot aan verachting van elk, die deze jonge Heeren niet byzonder kennen? My is zelfs voorgekomen, om dit Plan mede toe te schryven aan den waardigen Vaderlander, in zyn hart, en een der nuttigsten Menschen Vrienden die niets doet als goed, den Heer HENRY HOPE. Te meer noch, dewyl hy tot zyn geassociëerde gehad heeft, (doch ‘er zich direct van ontslagen) den ontrouwen en s1egten Hartsinck, welke, zo men zegt, het gantsche Capitaal van het Comptoir van HOPE en COMP., aan de Oranje-Calanten ter dispositie zou aangeboden hebben.
3 september 1789 Verkoping in Haarlem. Willem Kent, Jacob Hoofd, Juffr. Bosch en C. Buys. (Opbrengst ƒ 251 – 2 – 4 NAH oud archief kast 31-258)
19 maart 1799 Haerlemse Courant By WILLIAM KENT, Aanlegger van Engelsche Tuinen en Bloemperken, op de Groote Krogt te Haarlem, zyn te bekomen; Veelerlei fraaije BLOEMZAADEN, de 20 zoorten voor één Gulden. Waarvan de gedrukte Lysten by hem te bekomen zyn.
24 april 1800 Haerlemse Courant By WILLIAM KENT, Aanlegger van Engelsche Tuinen en Bloemperken, op de Krogt te Haarlem, zyn te bekomen veelerlei fraaije BLOEMZAADEN, de 20 zoorten voor een Gulden. Waarvan de gedrukte Lyst by hem te bekomen zyn.
22 november 1800 Haarlemse courant (Delpher) De ondergetekende maakt mits deezen bekend, dat zy de Zaad-Winkel van haar Broeder William Kent heeft overgenomen, verzoekt ieders gunst en recommandatie. Haarlem den 20 November 1800. Elisabeth Kent, Wed. Gysbert van der Horst.
3 februari 1801 Haarlemse courant (Delpher) Die iets te pretendeeren heeft van, of verschuldigt zyn, aan den Boedel van wylen ELISABETH KENT, Weduwe van wylen Gysbert van der Horst, onlangs binnen Haarlem in de Battejoristraat overleden; gelieven daarvan opgave of betalinge te doen aan Pieter de Vos, op-de Krayenhorstergragt te Haarlem voornoemt, uiterlyk met den laatsten Februari 1801.
Even geleden kreeg ik van mijn kleindochter een Whatsappje met de volgende vraag: “je moet me vanmiddag wel even wat vertellen over landgoed Broekbergen in Driebergen”, ervan uitgaande dat haar grootmoeder alles weet over alle buitenplaatsen in Nederland. Het enige wat ik van deze buitenplaats in Driebergen wist was dat ik er in Zocher-online één zin aan had gewijd, namelijk: “Bij naspeuringen komen we tot heden maar één naam als leerling [van Zocher sr.] tegen en dat is de naam van Christiaan George Breitensteyn uit Zeist (1788-1867), waarvan bekend is dat hij tussen 1815 en 1820 de landschappelijke aanleg van Dennenburg in Driebergen heeft ontworpen, evenals de landschappelijke aanleg op Broekbergen naast Dennenburg”.
Driebergen, Buitenplaats Broekbergen. ontwerp Jan Copijn en Zn, of H. Copijn? Collectie Broekbergen
Patricia Debie heeft onderzoek naar de tuinhistorie van Broekbergen gedaan. In het Rapport Ontwikkelingsvisie en waardestelling Buitenplaats Broekbergen (2009) staat te lezen dat Broekbergen in 1755 bestaat uit een “een fraaije en wel gestitueerde buijtenplaats genaamd Broekbergen, met sijne heerehuijzinge, koetshuijs, stallinge en tuinkamer, trekkast en verder getimmerte, broeituijn, moestuijnen, boomgaarden, en al het geen op dezelve aard en nagelvast is met vier en twintig morgen lands”. De eigenaar tot en met 1874 is de familie Van de Muelen. Vanaf 1875 tot 1996 heeft het huis dienst gedaan als klooster van de zusters Benedictinessen van de Altijddurende Aanbidding. Het huis is nu een beschermd monument.
Het onderzoek leverde drie ontwerpkaarten van Broekbergen op, en wel één uit 1789 (door Patrica genoemd de Rococo-periode, ik noem deze periode altijd liever de vooraankondiging van de landschapsstijl en mijd liever het woord Rococo), één uit de vroeg-landschappelijke periode (1812) en één uit de laat-landschappelijke periode (tweede helft 19de eeuw). De laatste is een ongesigneerd en ongedateerd ontwerp van Broekbergen dat volgens Patricia Debie een vroeg (ca. 1860) ontwerp van de hand van H. Copijn zou kunnen zijn, maar volgens ons toe te schrijven is aan Jan Copijn in samenwerking met zijn zoon H. Copijn.
De woorden die op het ontwerp staan geschreven zijn “Broekbergen” op het huis; “Mestvaalt” onder het rechter huis langs de zuidwest-grens van de buitenplaats; en “Peren Loop” tussen linker (tuinmans-?)huis en boomgaard. Dit is het pad naar de boomgaard waar appel-(met rond gebladerte) en perenbomen (met puntig gebladerte) staan aangegeven.
Een nadere analyse van dit ontwerp wordt in de vorm van een artikel door ons uitgewerkt in samenwerking met Ir. Lia Copijn-Schukking. Nadere aankondiging zal volgen bij publicatie.
Vandaag bespreking met Lia en Jorn Copijn over Copijn – ontwerpen die nog niet bekend waren toen het dikke Copijn-boek van Uitgeverij De Hef werd gepubliceerd onder de titel “COPIJN 1763-2013. Twee honderd vijftig jaar tuinlieden, boomkwekers, boomverzorgers en tuin- en landschapsarchitecten”.
Voorbeeld onbekend ontwerp van Hendrik Copijn uit 1919. Coll. Jorn en Lia Copijn.
Het zijn deels waarschijnlijk hele vroege ontwerpen uit de begin- en oefenperiode van de jonge Hendrik Copijn. We gaan de concepten en tekenstijlen van deze met de reeds bekende ontwerpen vergelijken en uitzoeken om welke gebieden / buitenplaatsen het gaat.
Juliet op de steiger voor Prinsengracht 175. Gevelstenen v.l.n.r. OUT SCHAEP, D+BONTE OS (ANNO 1661) en IONG + LAM (foto: Walther Schoonenberg)
(278) Zoals op de Welkomspagina van deze website is te lezen: Kleur in de architectuur is (sinds 2015) een nieuwe richting van ons bureau. Wij doen onderzoek naar historisch kleurgebruik en maken ontwerpen voor de toepassing van kleur op gevels en in interieurs.
Ons eerste project was Huis De Ladder Jacobs, Oudezijds Voorburgwal Amsterdam (2015). Dit hield in onderzoek naar en kleurontwerp voor de gevel van genoemd huis, in 1655 ontworpen door Philips Vingboons. De centrale gevelsteen stelt Jacobs Droom voor.
Een ander project was bijvoorbeeld het maken van een kleurontwerp voor het Claes Claesz. Hofje te Amsterdam (2021)
Onlangs zijn we door de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdamgevraagd drie gevelstenen op de Prinsengracht te ‘restaureren’. Zoals gezegd de kleuren baseren wij op (kleur)historisch onderzoek, de plaatselijke bouwtraditie en praktische kennis van historische verfpigmenten. Zo wordt bepaald welke kleuren in de loop van de tijd op een locatie zijn toegepast. Onze kleurontwerpen zijn gebaseerd op een combinatie van historisch onderzoek en meer esthetische overwegingen.
Juliet op de steiger voor Prinsengracht 175. Gevelsteen D + Bonte Os (Anno 1661). Foto: Walther Schoonenberg
Hoe komen de drie gevelstenen, waar we nu mee bezig zijn, ‘D + Bonte Os’, ‘Out Schaep’ en ‘Iong + Lam’ nu op de gevel van Prinsengracht 175 terecht en wat is hun geschiedenis?
Onno Boers (†) en Hans Brandenburg (huisonderzoek) hebben dit uitgezocht. Hun tekst (voor dit doel enigszins aangepast) is te vinden op de website van de Vereniging Vrienden van Amsterdamse gevelstenen. Citaat: ‘In 1652 koopt Hendrick Jansz Vet, vleeshouwer/slager van beroep een huis en erf op de Prinsengracht. Tien jaar later, in 1661 laat hij het vervangen door het huidige pand, Prinsengracht 175 en laat, en dat is wel uitzonderlijk, in het fries drie gevelstenen aanbrengen, links een schaap, OUT SCHAEP, midden een os, D+BONTE OS en rechts een lam, IONG + LAM.
Gevelsteen D+Bonte Os. Prinsengracht 175 (foto: Frank Lucas)Gevelsteen Out Schaep. Prinsengracht 175 (foto: Frank Lucas)Gevelsteen Iong + Lam. Prinsengracht 175 (foto: Frank Lucas)
De Bonte Os is op de bovenrand gedateerd ANNO 1661. Het zijn alle drie verwijzingen naar zijn beroep. In 1667 verkopen de erven van Hendrick Jansz Vet het pand. Hendrik Coevoet, beroep brandewijnkoper, wordt de nieuwe eigenaar. Uit de periode 1667-1689 zijn geen koop/verkoopakten bewaard gebleven. In dat laatste jaar wordt Jacob Harmensz Bomhof, ook weer een vleeshouwer, de nieuwe eigenaar. In deze koop-/verkoopakte wordt, net als in de voorgaande, geen huisnaam genoemd; de omschrijving ‘huis en erf op de Prinsengracht, oostzijde, bij de Prinsenstraat’ lijkt voldoende. Pas in 1747, als de erven van Jacob Bomhof het pand verkopen, luidt de akte: =Een huijs en erve, staande en gelegen binnen deze stad, en aldaar op de Prinsengracht, aan de oostzijde, het vierde huijs van de Prinsenstraat daar ‘Out Schaep’, ‘D+ Bonte Os’ en ‘Iong + Lam’ in de gevel staan”=. Nieuwe eigenaar wordt Richard de Haas, een uit Zutphen afkomstige koperslager. Zijn erven verkopen in 1781 het pand aan de Diakenen van de Mennonieten-gemeente, de beheerders van het achtergelegen Zons Hofje. Het huidige pand wordt in de Noord-Hollandsche Oudheden (6de stuk, pag 72) afgebeeld en beschreven als een fraaie trapgevel van gebakken en gehouwen steen met nieuwe pui. Later (onbekend wanneer) is deze pui in oude stijl gerestaureerd.”
Poort en toegangslaan tot Landgoed De Wielewaal. Foto gemeente Eindhoven
(273) Deze week (2de week februari 2022) is bekend geworden dat de gemeente Eindhoven het landgoed De Wielewaal (tot 2017 eigendom van Frits Philips) gaat kopen om de te verwachten uitbreiding van de stad ’te verzachten’ met een mooi openbaar park. Nu is het hek nog dicht, maar dat zal niet lang meer duren.
Op Google Earth is het landgoed duidelijk te onderscheiden. Het is gelegen in het noordwesten van de stad, in stadsdeel Strijp en in de buurt Wielewaal. Verscheidene lanen zien we op de luchtfoto lopen en ook in het zuidelijk deel een sterrenbos.
In 1850 was dit gebied nog heide. In de 2e helft van de 19e eeuw werd het bebost. In 1912 kocht Anton Philips, de vader van Frits Philips, het dennenbos en hij liet dit bos, genaamd ‘Het Zwarte Huis. als landgoed inrichten, maar Anton heeft er nooit gewoond. Een deel van het landgoed, ten noorden van de Oirschotsedijk, werd in 1920 geschonken aan de bevolking en staat sindsdien bekend als het Philips de Jongh Wandelpark. Het gebied ten zuiden van deze dijk is landgoed De Wielewaal waar Frits Philips in 1934 een huis liet bouwen door de vrij onbekende architect Frans Stam.
Landhuis De Wielewaal afgebeeld in het tijdschrift ‘Het landhuis’, jrg 30, 1935, no 16 (28-08-1935)
Midden op de luchtfoto hieronder zien we het grote huis en vanuit dit huis loopt een ‘tapis vert‘ (een brede grasloper omgrenst door hoog bos) schuin zuidwaarts naar een ‘rotonde’, die het middelpunt vormt van een sterrenbos.
Het landgoed (met in eerste instantie een pinetum, een sterrenbos, een rockery en een doolhof), werd tussen 1912 en 1920 aangelegd naar ontwerp van de bekende tuinarchitect Dirk Frederik Tersteeg (1876-1942). Over de laatste is te lezen in het boek ‘Nederlandse Tuinarchitectuur tussen 1850 en 1940, waard om beschermd te worden‘ (1986), door Bonica Zijlstra.
Grootste deel van het landgoed op Google Earth. Middenin de woning. Vanuit de woning schuin naar beneden een gras-laan (tapis vertelt) naar een rotonde, die het centrum van het sterrenbos vormt. Hier vandaag lopen 7 lanen door het bos.
Op het landgoed groeien veel monumentale bomen en rododendrons; bovendien gedijen er veel paddenstoelen en bijzondere planten. De bomen zijn grotendeels geplant in opdracht van Anton Philips, in de eerste twee decennia van de 20e eeuw. Tersteeg werkte op De Wielewaal in gemengde parkstijl, waarbij rechte lanen en natuurlijke vormen elkaar versterken.
Dirk Frederik Tersteeg’s werk op De Wielewaal werd algemeen gewaardeerd in Nederland. Dit is bekend omdat de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (BNT) in 1940 een foto (onderstaand) van het park opnam in haar reizende Foto-tentoonstelling. Ook zijn in de Bibliotheek WUR enige ontwerpen van Tersteeg terug te vinden, namelijk ontwerpen voor het sterrenbos, de rockery en het doolhof.
Eindhoven Pinetum Het Zwarte Huis. D.F. Tersteeg, ontwerp 1917-1919. Foto uit BNT-Tentoonstelling 1940. Bibliotheek WUR / Speciale CollectiesEindhoven. Ontwerp Sterrenbos Het Zwarte Huis. D. F. Tersteeg, 1920. Aan de Postdijk, Kromme sloot, Wemschedijk. Bibliotheek WUR / Speciale Collecties Eindhoven. Ontwerp Rockery bij Het Zwarte Huis.. D. F. Tersteeg (1917-1919). Bibliotheek WUR / Speciale Collectie Eindhoven. Ontwerp Doolhof bij Het Zwarte Huis. D. F. Tersteeg, 1917 . Doolhof nog aanwezig. hoewel aan restauratie toe. Bibliotheek WUR / Speciale Collectie
Of al deze tuinonderdelen nog aanwezig zijn, is mij niet bekend. Het zou in ieder geval zeer de moeite waard zijn nader onderzoek naar dit historische landgoedpark te doen, omdat er nooit een publicatie over is verschenen en het zeer interessant zou zijn dit park met andere grote parken en in het licht van de Nederlandse tuinhistorie te plaatsen en te vergelijken.
J. Vroom jr. Ontwerp tuin achter Gemeentehuis Eelde, 1938. Gem. Arhief Tynaarlo, Kaartenverz. 1811-heden, mapnr. XVIII
(271) Wat is er aan de hand in Eelde bij het voormalig gemeentehuis aan de Pr. Irenestraat (gebouw en tuin beide rijksmonument)? Het huis zal worden verbouwd en ingericht als verzorgings/verpleeginstelling en in de achterliggende tuin (eveneens rijksmonument) zal een bijpassende bebouwing worden neergezet met dezelfde bestemming. De Rijksdienst Monumentenzorg heeft toestemming verleend en ook de gemeente ziet geen bezwaren. Er ligt, wat de tuin betreft, een schetsontwerp van tuin- en landschaps-architect Dijkstra, dat, aldus diens tekst,teruggrijpt op het oorspronkelijke ontwerp van Vroom. Dit is nu hierboven afgebeeld. Het cultuurhistorisch onderzoek dat is uitgevoerd, titel ‘Tuinhistorisch Onderzoek Voormalig Raadhuis Eelde’ (2015), is neergelegd in het rapport dat volgens de huidige regelgeving is samengesteld.
Zondag 16 januari was er in de Nieuwsbrief van RTV Drenthe te lezen dat “Fieke Meindertsma, oprichter en eigenaar van Goedemorgen Paterswolde BV en huurder van het vroegere raadhuis, in een interview heeft gezegd: “De tuin wordt compleet nieuw aangelegd, Rijksmonument-waardig. Een landschapsarchitect heeft een prachtontwerp voor ons gemaakt”. Die landschapsarchitect is DijkstraBuro voor landschapsgeschiedenis en landschapsontwerp. Het bericht gaat dan verder: “De tuin had al klaar moeten zijn voor de eerste bewoners kwamen, maar doordat een omwonende een gerechtelijke procedure heeft aangespannen, mogen wij in afwachting daarvan niets doen, behalve onderhoud. Echt heel erg jammer.”
Gemeentehuis Eelde in vroeger dagen. Zicht vanaf achterzijde vijver
Bond Heemschut en de Ned. Tuinenstichting hebben zich ook zorgen gemaakt. Op de website van de NTs is nu te lezen: “De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft positief over het plan geadviseerd”. In eerste instantie verbaasde dit de NTs; maar later (mei 2021) werd duidelijk waarom: de gemeente de adviesaanvraag over de tuin achterwege gelaten, namelijk omdat die ‘pas in fase 2’ zou worden aangepakt. Deze laatste aanvraag werd eind september (2021) gedaan. Het advies van de RCE dat daarop in oktober volgde verdeelde de komende tuinwerkzaamheden in twee delen: ‘onderhoud’, waarvoor geen, en ‘restauratie’ waarvoor wél een omgevingsvergunning zou moeten worden aangevraagd”. Tot tweemaal toe is een procedure die Heemschut aanspande tegen de projectontwikkelaar door de rechter stopgezet. De Vries van Bond Heemschut: “En dan zegt de rechter: nou, we wachten nog maar een half jaartje. Jullie zijn nog aan het stoeien met elkaar. Er wordt natuurlijk beweerd dat het best wel weer in orde komt, maar ik houd mijn hart vast. Het gaat echt veel geld kosten om die tuin weer helemaal terug te brengen in de monumentale staat en dan zal je zien dat het een sluitpost wordt.” De tuin is sinds 6 jaar verwaarloosd en niet meer onderhouden. Fieke Meindertsma van Goedemorgen Paterswolde BV blijft echter optimistisch “Het wordt prachtig”, zegt zij: “Ook de achterkant van de tuin wordt meegenomen in een ontwerp dat is geïnspireerd op het werk van landschapsarchitect Piet Oudolf. De heren van Heemschut zijn van harte uitgenodigd om hier nog eens te komen wandelen zodra alles klaar is. Ik denk dat ze dan heel erg blij zullen zijn.”
Voorlopig zijn wij, de Oldenburgers, nog niet echt blij. De combinatie Jan Vroom jr. en Piet Oudolf is natuurlijk in principe wel mogelijk, beplantingen van Piet Oudolf zullen best pasen in de borders die door Vroom op zijn ontwerp zijn aangegeven, maar als een tuin een rijksmonument is, in dit geval een monument uit 1938, dan hoort daar natuurlijk niet het sortiment van Piet Oudolf in te worden toegepast. Beplantingen à la mode van 1938 verschillen echt heel erg met Piet Oudolf beplantingen. En waar komt die nieuwe bebouwing in de achtertuin, half over die prachtige vijver? Erg veel ruimte is er niet. Wie verschaft ons duidelijker tekeningen om eens deskundig over dit nieuwe ontwerp te oordelen?
(265) Zuid-Hollands Landschap heeft de ruimte gekregen om te onderzoeken of het mogelijk is Buitenplaats De Voorde, gelegen in de Rijswijkse Landgoederenzone, over te nemen van de gemeente Rijswijk. In 2022 wordt een plan uitgewerkt om van deze vervallen plek weer een groene parel te maken. Dat zou heel mooi zijn en we hebben meteen aangeboden te helpen met een klein onderzoekje (quickscan).
Buitenplaats De Voorde, Van Vredenburchweg 987, Rijswijk
In de Gids voor de Nederlandse Tuinarchitectuur (deel III, Noord- en Zuid-Holland) schreven we: “Ten zuiden van het Haagse Zuiderpark ligt in de gemeente Rijswijk het voormalige buitenplaatsencomplex Overvoorde, De Voorde en Steenvoorde, doorsneden door de Van Vredenburchweg. Oorspronkelijk maakten hier ook de buitenplaatsen Westvoorde, Oudshoorn en Nieuwvoorde deel van uit. Het woord ‘voorde’ betekent: doorwaadbare plaats. De buitenplaats De Voorde werd omstreeks 1800 gesticht door Jacob van Vredenburch en is daarmee de jongste buitenplaats in de reeks langs de Van Vredenburchweg. Het huis dateert uit 1800 en de tuinmanswoning uit 1806. Van Vredenburch bewoonde zelf de tegenover gelegen buitenplaats Overvoorde, zodat De Voorde meestentijds verhuurd is geweest. Bij een boedelscheiding in 1889 werd het omschreven als een herenhuis met stal en koetshuis, tuinderswoning, tuin, boomgaard, bos, wei en bouwland. De landschappelijke aanleg kent twee zichten vanuit het huis; één over een glooiend gazon en één over een beek. Sinds 1931 is het in bezit van de gemeente Den Haag. De achterzijde wordt verstoord door nieuwbouw. Het park maakt deel uit van het parkgebied De Voordes, dat tegenwoordig fungeert als recreatiegebied van de aangrenzende wijken en nader is ingericht voor wandelaars en fietsers, waardoor het oorspronkelijke padenpatroon is veranderd. Het huis wordt gebruikt als kunstenaarscentrum.
Steenvoorde, Overvoorde, De Voorde. Kadastrale kaart 1811-1832: verzamelplan Rijswijk, Zuid Holland (MIN08174VK1). Sectie C Schapenwei-polder. Noorden rechts
Steenvoorde, Overvoorde, De Voorde. Schapenwei-polder, 1812, herzien 1819. Noorden boven
De tail van kadasterkaart Schapenwei-polder met huizen Steenvoorde en De Voorde. 1812, herzien 1819. Noorden bovenNieuwe kaart van ‘s-Gravenhage met de omliggende dorpen en buitenplaatsen, van de hand van de landmeter S.W. van der Noordaa, 1838/1839. Detail met De Voorde, Overvoorde en Steenvoorde. Noorden schuin rechts boven
Topografische kaart 1876-1890, zonder vijver achter huis. Er zit een lichte verschuiving in de kaart omdat net op de plaats van De Voorde twee kaartbladen aan elkaar zijn geplakt (zie de rechte lijk). In 1889 werd De Voorde omschreven als een herenhuis met stal en koetshuis, tuinderswoning, tuin, boomgaard, bos, wei en bouwland. Noorden boven
Topografische Kaart 1890 – ca. 1920, met grote moestuin (?). Met maanvormige vijver achter huis
Topografische Kaart ca. 1920 – ca. 1952. Moestuin verdwenen en veranderd in open weide / later kwekerij
Plattegrond Wandelpark De Voorde, 1934. Een brug aan de Van Vredenburchweg over een gracht geeft toegang tot de plaats. Rechts de vroegere moestuinen, nu kwekerij. Opgemeten en getekend door C. v.d. Vliet / Gem. Plantsoenen ’s Gravenhage. Noorden boven
Topografische Kaart ca. 1952 – 1964. Bos (verwilderd of aangeplant?) in westelijk deel; slingervijver tussen huis en weg; open weide ten oosten van huis
Topografische Kaart ca.1964. Westelijk deel bos met wandelpaden; slingervijver voor het huis en open ruimte met kleine vijver achter het huis. Luchtfoto’s van 2006 en later geven in grote lijnen nog hetzelfde beeld.
Dit is de eerste verkenning. We zijn bereid verder in detail te treden, maar dan moeten we eerst archieven raadplegen bij de gemeente Rijswijk en de gemeente Den Haag. De ontwikkeling van de buitenplaats is al heel aardig te volgen.
(260) Rondom en grenzend aan de Haarlemmerhout lagen in de 18de eeuw enige buitenplaatsen, die hun glans en glorie alleen al verdienden vanwege hun prachtige locatie tegenover en grenzend aan de Haarlemmerhout. Drie van deze buitenplaatsen (hier afgebeeld op de ‘Caart Figuratif’ van de Haarlemmerhout uit 1799, trokken recent onze aandacht. Het gaat om 1) Eindenhout, 2) Uitenbosch en 3) Bosch en Vaart, alle drie buitenplaatsen aan de zuid-westkant van dit stadsbos.
Capitein-Ingenieurs G.J. le Fèvre de Montigny en C.C. van Hooff. Caart Figuratif van den Haarlemmer Hout met de daar naast aangeleegene buytenplaatsen en tuynen. 1799. Coll. en foto Noord-Hollands Archief. Noorden op deze kaart beneden.
Op genoemde kaart uit 1799 stelt de laan met vier rijen bomen (op de kaart de bovengrens van de Haarlemmerhout) de Spanjaardslaan voor. Deze komt uit op Huis Eindenhout aan de Wagenweg, ook wel het Huis met de Beelden (sfinxen) genoemd. Achter het huis zien we de nog steeds bestaande buitenplaats Eindenhout liggen, die zich westwaarts uitstrekte tot aan de Leidsevaart. De aanleg wordt gekenmerkt door slingerende wandellanen langs de kaarsrechte omringende grachten en een formele zichtlaan van oost naar west.
Ten zuiden van (boven) de Spanjaardslaan in Haarlem (voorheen gemeente Heemstede), schuin tegenover Eindenhout, ligt een kleinere buitenplaats, genaamd Uitenbosch of Uit Den Bosch. Het huis werd in 1911 afgebroken en vervangen door een nieuwe moderne villa die er nog steeds staat en voor Haarlemmers bekend staat als de kraamkliniek Uitenbosch. Het bijbehorende oude koetshuis ’t Vosje, genoemd naar de oude herberg die er eerst heeft gestaan, is bewaard gebleven, hoewel ingrijpend verbouwd.
Ten noorden van (onder) Eindenhout is de buitenplaats Bosch en Vaart te onderscheiden, te herkennen aan een heel uitgebreid moestuin-complex en weer slingerende lanen langs de grenzen van de plaats. Alleen de naam van deze buitenplaats is bewaard gebleven in de woonwijk Bosch en Vaart, die vanaf 1901 tot stand is gekomen.
Over genoemde drie buitenplaatsen wil ik nu wat meer vertellen. Historische feiten zijn grotendeels overgenomen van de website Librariana en ook hier niet genoemde gegevens zijn daar terug te vinden.
Eindenhout. Dit huis is onlangs gerestaureerd door St.Stadsherstel Amsterdam en siert na historisch kleuronderzoek in een nieuwe kleurstelling de Wagenweg. Dat is voor velen die jaar en dag langs dit huis kwamen een vreemde gewaarwording, even wennen aan de nieuwe kleur. In 1775 werd Anna Maria Visscher, weduwe van mr. Jan van Styrum, de nieuwe eigenaar van deze plaats, die zich uitstrekte tot aan de Leidsche Vaart. Ook beelden en vazen behoorden toen tot de koop, maar het classicistische uiterlijk van de voorgevel dateert pas uit de tijd van George Gerard Lans (eigenaar sinds 1793). Coenraad Jacob Temminck (eigenaar 1802) liet omstreeks 1810 aan weerszijden van de trappen de sfinxen plaatsen en breidde zijn grondgebied nog meer uit.
Huis Eindenhout of Huis met de Beelden, Haarlem, 2021. Gebouwd in 1793. Sphinxen 1810. Na historisch kleuronderzoek is de gevel onlangs in roomwit uitgevoerd. Foto Stadsherstel Amsterdam
Na verschillende eigenaars in de 19de eeuw kwamen het huis en de plaats in 1963 in handen van de gemeente Haarlem. Tien jaar later werd het huis, toen in eigendom van de Amsterdamse antiquair Herman Fritz Bill, in appartementen verdeeld en verhuurd. Na het overlijden van de heer Bill (2018) is het huis Eindenhout gekocht en gerestaureerd door Stadsherstel Amsterdam. Het voorbos met de bekende (betonnen) koepel uit 1915 (gebouwd in opdracht van eigenaar H.A. van Odijck) en de heemtuin zijn tegenwoordig eigendom van de gemeente Haarlem.
Rotonde Eindenhout, gebouwd in 1915, in opdracht van eigenaar H.A. van Odijck. Eigenaar sinds 2019 Gemeente Haarlem. Foto Stadsherstel Amsterdam
Uitenbosch. De Historische Vereniging Heemstede/Bennebroek maakte ons onlangs attent op een kunstwerk dat zich in een tuinhuisje (koepel) op het terrein van Uitenbosch bevindt (nu gem. Haarlem, vroeger gem. Heemstede). Men vroeg ons als ‘deskundige’ samen met anderen te komen oordelen over de architectonische waarde van het gebouwtje. In 1762 is de Amsterdammer Jan Bronkhorst eigenaar van de buitenplaats Uittenbosch. In 1817 werd de plaats verkocht aan Maarten Adriaan Beels, lid van de Haarlemse gemeenteraad en Heer van Heemstede, Rietwijk en Rietwijkeroord. Hij was was waarschijnlijk de eigenaar van Uitenbosch ten tijde van bovenstaande Caart Figuratif of het was Pieter van Eeghen die In 1822 eigenaar van Uitenbosch werd.
Kadastrale Minuut Kaart (1811-1830), met aanduiding van de buitenplaats Uitenbosch (links), Zuiderhout en Leeuw en Hooft. Noorden boven. De weg die dwars over de kaart loopt van links naar rechts is de Spanjaarslaan
Verder in de 19de eeuw zijn als eigenaren bekend Abraham Lodewijk Dyserinck (vanaf 1860), gemeenteraadslid, lid van Provinciale Staten van Noord-Holland en president van de Kamer van Koophandel; en Nicolaas Taack Takranen (vanaf 1887), president van de Nederlandsche Handels Maatschappij. Hierna was het huis (in eigendom van een investeringsmaatschappij) een aantal jaren verhuurd en/of onbewoond.
Plattegrond van buitenplaats Uitenbosch, uit Veilingboekje 1903. In Perceel II staat de koepel getekend die in het veilingboekje staat genoemd. Collectie en Foto Bibliotheek WUR / Afd. Speciale Collecties
In 1911 werd Uitenbosch gesloopt door de nieuwe eigenaar Arnoud Hendrik baron van Hardenbroek van Ammerstol (1875-1947). Een nieuw huis werd gebouwd en in 1914 betrokken door Baron Van Hardenbroek en zijn vrouw Cecilia van Leembruggen. De architect was H. Hendriks uit Hillegom.
Aanvankelijk woonde Van Hardenbroek (1875-1947) na zijn huwelijk in 1899 op de 18de eeuwse buitenplaats Veenenburg / Elsbroek in Hillegom, een bezit dat hij en zijn vrouw van (schoon)vader erfden.
Ingang buitenplaats Veenenburg te Hillegom, 1910. Pijlers met reliëfwerk. Uit: J.B. van Loenen. “Beschrijving en kleine kroniek van de gemeente Hillegom”, 1916
Huis Veenenburg. 1910, met klokkenstoel. Uit: J.B. van Loenen. “Beschrijving en kleine kroniek van de gemeente Hillegom”, 1916.
Huis Veenenburg, achterzijde met tuinbeeld in de zichtas en rechts van het huis een open tuinprieel. Uit: J.B. van Loenen. “Beschrijving en kleine kroniek van de gemeente Hillegom”, 1916.
Dit huis (Veenenburg) werd echter in 1913 afgebroken toen het nieuwe moderne huis Uytenbosch met een uitgestrekte tuin achter het huis gereed was gekomen. De zandstenen beeldengroep van Apollo en Daphne, nu achter koetshuis ’t Vosje, en enkele andere herinneringen aan Veenenburg, zoals de klokkenstoel en een schouw verhuisden mee van Hillegom naar Heemstede. De beeldengroep van Veenenburg is op oude foto’s te zien in de zichtlijn van het huis. Na de dood van haar man verhuisde zijn tweede vrouw Cornelia van Leembruggen (1882-1975) in 1950 naar het voormalige koetshuis ’t Vosje van Uitenbosch, van waar zij zicht bleef houden op dezelfde beeldengroep.
Uitenbosch Haarlem. Zandstenen beeldengroep Apollo en Daphne die in een laurier verandert. Beeldhouwer onbekend. Geïnspireerd op het bekende beeld van G.L. Bellini te Rome. Foto Carla Oldenburger
Om de kunstwerken in het tuinhuisje achter in de tuin van ’t Vosje te kunnen waarderen zullen we toch eerst naar de geschiedenis van het tuinhuis zelf onderzoek moeten doen. Het huisje staat op een draaischijf en zal een zogenaamd tbc-huisje geweest zijn, dat met de zon kan meedraaien. Dergelijke huisjes kwamen in de mode vanaf het eind van de 19de eeuw en bleven in gebruik tot zeker ca. 1950. Ze zijn direct herkenbaar omdat ze niet direct op de grond, maar op een draaischijf staan. Als de zieke genezen was konden de huisjes natuurlijk ook als tuinkoepel gebruikt worden of als zodanig worden verkocht. Het huisje van Uitenbosch zal uit het eerste kwart van de 20ste eeuw dateren. Maar de kunstwerken binnen zijn van oudere oorsprong. Komen die misschien uit het open tuinprieel van Veenenbosch? Anja Kroon van de Historische Vereniging Heemstede/Bennebroek doet hier onderzoek naar. Geopperd werd tijdens ons bezoek dat de eigenaar misschien een antiquair geweest zou kunnen zijn of in ieder geval een liefhebber van antiek. Van de eigenaar van Veenenburg, Baron van Hardenbroek, weten we dat hij samen met de buren van het aangrenzende landgoed Elsbroek in 1902 de nog steeds bestaande “Maatschappij tot exploitatie van de gronden Veenenburg-Elsbroek” oprichtte en even later de kunst(kalk)zandsteenfabiek ‘Arnoud’, die in 1904 in bedrijf kwam.
Maar ook Mevrouw de baronesse had een hobby. Zij had volgens een artikel in de Nieuwe Haarlemsche Courant (17-11-1928) in Villa Uitenbosch een tijdelijk museum van archeologische vondsten op Veenenburg gevestigd (later overgebracht naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden), zoals een klokbeker uit het late Neolithicum, een bijl, pijlpunten en een sikkel uit de Bronstijd en archeologische vondsten uit de Romeinse tijd.
Vooraanzicht Villa Uitenbosch (de latere kraamkliniek). Ontwerp H. Hermans. Bouw 1911-1914. Foto Wikipedia
Bosch en Vaart. Het huis is sinds 1707 in handen van de familie Van Lennep, die het in 1735 (bij executie) verkocht aan de doopsgezinde Willem Kops, die het bezit aanmerkelijk uitbreidde. In 1779 verkochten de erfgenamen de plaats aan de eveneens doopsgezinde Jan Willink, kanunnik van Ste. Marie in Utrecht en directeur van de Maatschappij ter bevordering van de Landbouw. Het buiten bleef tot 1880 in handen van deze familie. In 1880 werd J. baron van Tuyll van Serooskerke de nieuwe eigenaar. Adriaan Honig is de laatste koper van het oude huis (1901), terwijl het landgoed aan de gemeente Haarlem vervalt, t.b.v. nieuwbouw. Het bebouwingsplan van de projectontwikkelaar P. Kuyper wordt vanaf ca.1900 langzaam aan gerealiseerd. Zie afbeelding verder.
Gezicht op Bosch en Vaart aan de Wagenweg in Heemstede. Ets Johan Swertner, 1760.
Ingang Bosch en Vaart aan de Wagenweg. Hendrik Tavenier, 1785. Coll. en Foto Noord-Hollands Archief
De ingang van Bosch en Vaart is duidelijk te onderscheiden, zowel op boven afgebeelde tekening uit 1785, met rechts het huis en links een koepel langs de Wagenweg, als op onderstaande situatietekening van J. D. Zocher sr. uit 1806. Deze tekening van J.D. Zocher sr. is onlangs ‘gevonden en gelokaliseerd’ door Korneel Aschman.
J.D. Zocher sr., 1806. Bosch en Vaart Haarlem (vroeger Heemstede). Eigenaar Jan Willink. Part. Collectie
Vergelijk nu deze situatietekening uit 1806 met de Caart Figuratif uit 1799 en wat blijkt? De situatie uit 1806 bestond al in 1799 en waarschijnlijk al van eerder (vanaf 1779?) toen Jan Willink de nieuwe eigenaar werd van Bosch en Vaart. De rechte watergang (verdwenen op de KMP-kaart, zie verder) tussen het moestuingedeelte en het landschappelijk aangelegd wandelpark (met slingerlanen en slingerpaden) en de combinatie van beide doet vermoeden dat de schoonvader en werkgever van Zocher sr., de tuinarchitect J.G. Michael, in de jaren tachtig als ontwerper door Jan Willink werd ingeschakeld. Vanaf ca. 1785 hebben Michael en Zocher sr. samengewerkt, zodat deze Zocher-tekening ook als een eind-document van Bosch en Vaart beschouwd zou kunnen worden. De stijl van Michael wordt al eerder beschreven in ons artikel ‘De tuinarchitectuur van Johann Georg Michael (1738-1800)’, in Bulletin KNOB 90 (1991), nr. 3, p. 73-79. Daar lezen we ook dat Michael in Haarlem en Heemstede aan het eind van de 18de eeuw actief is geweest met de aanleg rond Huis Welgelegen te Haarlem voor Henry Hope, 1788; en met een ontwerp van Oud-Berckenroede te Heemstede voor Mw. C.C. Hodshon, 1794.
Kadastraal Minuut Plan (KMP) met de buitenplaatsen Eindenhout en Bosch en Vaart, 1811-1830. De twee vijvers op deze kaart zijn op de kaart uit 1799 en 1806 terug te vinden. De kanaalvormige vijver langs de moestuin in verbinding met de Leidsche Vaart zien we niet terug op deze KMP. Westen bovenKaart Bosch en Vaart uit Veilingboekje 1899. Weer dezelfde twee vijvers te onderscheiden. Collectie en Foto Bibliotheek WUR / Afdeling Speciale Collecties
P. Kuyper, ca. 1900. Bebouwingsplan Wijk Bosch en Vaart Haarlem. Noordpijl aangegeven
De aanleiding om deze weblog te schrijven was het aanreiken van achtergrondinformatie voor het onderzoek naar de oorsprong van het tuinhuisje en de kunstwerken in het tuinhuisje van buitenplaats Uitenbosch / ’t Vosje. Anja Kroon zal de uitkomst van haar onderzoek in een artikel in het tijdschrift Heerlijkheden verwerken. Zodra dit artikel is verschenen zal de titel hier worden vermeld.
Literatuur.
Frans Harm en Dennis de Kool. ’t Vosje en Uyt den Bosch, door historie verbonden. Heerlijkheden, tijdschrift over de geschiedenis van Heemstede en bennebroek (2017 najaar, p. 24-30).
HIER. is het kaartje van de Romeinse Limes (in Nederland) te vinden.
Press (+) bovenstaand kaartje om te vergroten. Even ten noorden van Kesteren, aan de noordkant van de Nederrijn dus, is mijn woonplaats. De Rijnbandijk tussen Kesteren en Driel zal zo ongeveer gelijk met de Limes lopen. Ik kan naar de Romeinen zwaaien. Ik ben er dus maar even heen gereden om te zien hoe de reconstructie van de Romeinse wachttoren er nu bij ligt.
Reconstructie Wachttoren De Spees aan de Nederrijn, tegenover De Blauw Kamer. Foto Carla OldenburgerUitleg over de bouw van een Romeinse wachttoren. Bord geplaatst bij Wachttoren De Spees te Kesteren (Carvo). Foto Carla OldenburgerKaartje op bovengenoemd bord bij Wachttoren De Spees, Kesteren. Foto Carla OldenburgerGezicht vanaf wachttoren De Spees naar de overzijde van de Nederrijn. Zie de schoorsteen van de steenfabriek De Blauwe Kamer. Foto Carla Oldenburger