Categoriearchief: Ontwerper

De moestuinmuur van Hoog Beek en Royen wordt gerestaureerd

Buitenplaats Hoog Beek en Royen
De buitenplaats Hoog Beek en Royen (Driebergseweg 1 Zeist) werd in opdracht van Albert Voombergh gesticht tussen 1826 en 1832 en ligt schuin tegenover de voormalige buitenplaats Beek en Royen, het pand waar nu de Vrije Hogeschool in is gevestigd. De tuin is na 1836 door J.D. Zocher jr. ontworpen en aangelegd. Hoewel vaak wordt gesuggereerd dat Zocher jr. ook de architect was van het huis, wordt tegenwoordig de naam van Joh. van Straaten genoemd. Oorspronkelijk had het rechthoekige huis één verdieping en een veranda rondom.
In 1846-1847 is het huis door de Utrechtse architect N.J. Kamperdijk volgens neoclassicistische principes verbouwd. Aan de Driebergseweg liggen meer huizen van Zocher, zoals Molenbosch en vermoedelijk ook De Breul, die alle in een landschappelijk park zijn gelegen. In 1945 werd deze buitenplaats een gemeentelijk wandelpark. Tegenwoordig is het park eigendom van Het Utrechts Landschap. De wandelaar kan hier genieten van een typisch vroeg negentiende-eeuwse landschappelijke aanleg met slingerende waterpartijen, boomgroepen, flauw gebogen paden. en open weiden met weide- en watervogels. Ook bevinden zich een koepel en een kinderhuisje op het terrein. Het zogenaamde ‘Kippelaantje’, een rechte laan met zeer oude eiken, is goed bewaard gedeelte van het oorspronkelijke lanenstelsel van Beek en Royen. De moestuin is door Het Utrechts Landschap omgetoverd tot wijngaard en de muur die hier te vinden is wordt nu gerestaureerd. 

7. Algemene Begraafplaats Cauberg, Valkenburg (Li.)

Algemene Begraafplaats Cauberg, Valkenburg aan de Geul

De Vereniging Terebinth heeft haar laatste tijdschriftnummer Terebinth o.a. gewijd aan het Ereveld in Valkenburg.
De Slag om Valkenburg in de meidagen van 1940 duurde vier dagen lang en hierbij vonden 240 mensen de dood.  Wie waren ze, de jonge militairen die in het centrum van Valkenburg hun graf kregen? Dat wordt in Terebinth 2023, nr. 2 uiteengezet. 

Wij richten onze aandacht op een andere begraafplaats in Valkenburg, namelijk de Algemene Begraafplaats Cauberg.

Grafkelder van de familie Palmen. Foto RCE
“Aan de voet van de Cauberg ligt volgens de schrijver H.L. Kok van het boek ‘De geschiedenis van de laatste eer in Nederland’ de mooiste dodenakker van ons land. Behalve vanwege de bijzondere ligging op de helling van de Cauberg en het panoramische uitzicht vanaf het hoogste gedeelte, is de begraafplaats bijzonder vanwege de galerijgraven, die op Zuid-Europese wijze zijn uitgehouwen in de heuvel.
Het oudste deel van de begraafplaats dateert uit 1836.
Hier bevindt zich een grafkapel ontworpen door de in Roermond geboren architect P. J. H. Cuypers, de bekende bouwer van het Amsterdamse Centraal Station en het Rijksmuseum.
Vanaf het begin bleef één stuk grond ongewijd voor het begraven van ‘ongedoopten’ en nog altijd worden er hervormden, joden en niet-kerkelijken begraven.
Vanaf 1865 vonden de eerste uitbreidingen plaats. De galerijgraven werden vanaf 1935 uit de heuvel uitgehouwen.
Vroeger grensde de begraafplaats aan een dierentuin. Mogelijk is dit de reden waarom de beroemde circusdirecteur en dompteur Willy Georg Hagenbeck hier begraven ligt. De familie Hagenbeck speelde niet alleen een belangrijke rol in het temmen van wilde dieren, maar ook in de landschappelijke vormgeving van dierentuinen; in plaats van in kooien toonden zij het dier in een imitatielandschap gelijkend op dat waar het vandaan kwam. Het graf van Hagenbeck is te herkennen aan een reusachtige, uit marmer gehouwen ijsbeer en de inscriptie ‘Sein Herz gehört den Tieren’.”
IJsbeer op graf van W. G. Hagenbeck. Algemene begraafplaats aan de Geul. Foto www.drijehornick.nl

Redengevende omschrijving RCE:

Grafkelder van de Familie Palmen, met Neo-Romaanse elementen, gedateerd omstreeks 1883. De kelder vormt een van vier grafkelders op het kerkhof tegen de helling van de Couberg.

Symmetrische indeling frontgevel. Het toegepaste bouwmateriaal is mergel. Rondboogvormige gietijzeren deur in rondboogvormige omlijsting, geflankeerd door kleine boogvormige nissen. Aan bovenzijde deur plaquette met de tekst “Familie Begraafplaats van Notaris J.L. Palmen”.

Aan weerszijden van plaquette lauwerkransen in mergel. Frontgevel uitlopend in een horizontale afsluiting met boogfriesdecoratie en bekroond met een hardstenen kruis. In de frontgevel pilasters en hardstenen ornamenten.

Van het INTERIEUR zijn onder meer van belang: plafond met kruisribgewelven in baksteen; kelder afgedekt met houten luik met hierin grafnissen afgedekt met grafstenen.

Waardering: De grafkelder van de familie Palmen is van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een geestelijke en typologische ontwikkeling. De grafkelder bezit architectuurhistorische waarde vanwege het belang voor de bovenregionale geschiedenis van de architectuur, de toepassing van mergel als bouwmateriaal en de ornamentiek. Ensemblewaarde ontleent de grafkelder aan de situering in de gravenwand op het het kerkhof tegen de helling van de Couberg en daarmee van betekenis voor het aanzien van dit deel van Valkenburg aan de Geul. De grafkelder is tenslotte van algemeen belang vanwege de architectonische gaafheid en de architectuurhistorische en typologische zeldzaamheid.

Over de firma Moerkoert en over neogotiek in de tuin.

Opvallende artikelen over tuinen, tuinarchitectuur en tuingeschiedenis.

Vandaag twee artikelen van Wim Meulenkamp die net zijn verschenen.

1. Wim Meulenkamp. ‘Ondernemer van kunstmatige grotwerken: de firma Moerkoert in cementrustiek’. Oud-Utrecht, Jg. 96 (augustus 2023), nr.4. p.17 t/m 21.

Rotspartij Julianapark, Utrecht.

In Wim’s eigen woorden gaat het hierover: ” In 1902 adverteerde de Utrechtse firma Moerkoert voor ‘Grot en Waterwerken, Tunnels, Bruggen, Ruïnes, enz.’   Hieruit spreekt een laatromantisch vocabulaire. Kunstmatige ruïnes en grotten waren toen al een hele tijd passé. Maar Moerkoert gebruikte een uiterst modern materiaal en hanteerde een destijds nog populaire stijl: de zogenaamde cementrustiek. Deze geheel veronachtzaamde stijl en het bijbehorende ambacht ontwikkelde zich in de tweede helft van de 19e eeuw en werd tot in de jaren 1920 gebruikt. Franciscus Johannes Moerkoert was de aanjager van de cementrustiek in Nederland.”

Een voorlopig resultaat van onderzoek over ‘cemetrustiek’, een decoratiekunst. Vader Benjamin en zoon Franciscus Johannes Moerkoert,  oorspronkelijk stukadoors  uit Utrecht werkten vanaf 1836 door heel Nederland. Er worden in dit artikel een hele serie uitgevoerde werken genoemd die door de Moerkoerts tot stand zijn gekomen, maar helaas tot heden zijn er niet veel meer van over. De meeste mensen nu herkennen deze kunstwerken niet meer, met het gevolg dat vele zijn afgebroken. Wel zijn er op enkele buitenplaatsen nog bruggen en rotsen en een enkele grot van de Moerkoerts bewaard gebleven, meestal op plaatsen waar Henri Copijn en zijn zoon Louis de tuin hadden ontworpen. Als we dus een Copijntuin tegenkomen is het extra opletten geblazen.

2. Wim Meulenkamp. Neogotische experimenten in de tuin. Het Buiten Jg. 5, nr. 14 (juli 2023), p. 28 t/m 32

Neogotische schijnkapel op buitenplaats Beeckestijn. Detail van de Plattegrondkaart van Beeckestijn door J. G. Michael, 1772.

Het artikel begint met te benoemen dat neogotiek niet erg gewild en bekend was in ons land tot ongeveer de jaren zeventig van de vorige eeuw. Wim is al jaren op zoek naar de oorsprong van deze stijl in Nederland en noemt als eerste ontwerper de in Zwitserland geboren Johann Heinrich Müntz, die (mede)verantwoordelijk was voor ontwerpen van o.a. Kew Gardens. In 1763 week hij uit naar Nederland en bleef daar tot 1777.  Hij zou heel goed de ontwerper geweest kunnen zijn van de schijnkapel op Beeckestijn (Velsen), want deze doet heel erg aan de stijl van Müntz denken. Dit dus i.t.t. de tot dusver genoemde ontwerper J. G. Michael, die de plattegrond van Beeckestijn tekende en daarom als eerste ontwerper van neogotische gebouwen in Nederland werd gezien.

Veel Nederlandse voorbeelden van vóór 1800 zijn niet aan te wijzen. Genoemd worden nog, naast enkele andere, de (helaas afgebroken) Willemstempel op Het Loo (1786) en de hermitage op Leyduin (1798). In den beginne werd de stijl dus voorzichtig toegepast op tuingebouwen,  daarna kunnen we omstreeks 1840 gaan denken aan de Zochers en de Van Lunterens en Roodbaard, en werden ook hele landhuizen in deze stijl gebouwd (bijv. De Schaffelaar) en pas daarna kwam Cuypers met zijn kerkgebouwen in zijn eigen neogotische stijl. Wim duidt tenslotte op het belang van onderzoek over Johann Müntz omdat hij  het is geweest die de stijl waarschijnlijk van Engeland naar ons land heeft overgebracht.

6. Algemene Begraafplaats Nieuw Valkeveen (Naarden)

Voor deze zesde aankondiging van een begraafplaats in het kader van een reeks begraafplaatsen noemen, omdat het bestuur van de Ver. Terebinth extra aandacht verdient, is gekozen voor een ontwerp van de tuinarchitect Dirk Frederik Tersteeg uit Naarden.
Algemene Begraafplaats aan de Valkeveenselaan te Naarden. Ontwerp D.F. Tersteeg, 1937. Speciale Collecties WUR
Toen de bestaande Algemene Begraafplaats aan de Rijksweg vol raakte en uitbreiding niet mogelijk was, werd in de gemeente Naarden uitgekeken naar een locatie voor een Nieuwe Algemene Begraafplaats. Deze werd gevonden direct ten zuiden van Oud Valkeveen tussen de Oud Huizerweg, de oude Zuiderzeedijk en de Valkeveenselaan.
Aanvankelijk maakte de gemeente-architect B. T. Deenik een eenvoudig ontwerp (1936) in architectonische stijl rond een as van symmetrie. Kennelijk was de gemeenteraad niet tevreden over dit ontwerp, zodat er werd besloten de Naardense tuinarchitect Dirk F. Tersteeg de opdracht te verlenen voor een alternatief ontwerp (1937).
In de omgeving van Het Gooi was Tersteeg bekend vanwege zijn vele villatuinen in de zogenaamde nieuwe (architectonische) tuinstijl. De meeste hiervan zijn helaas grotendeels verdwenen, zoals bijvoorbeeld de vroeger vlakbij de begraafplaats gelegen Tersteegtuinen bij de villa De Halte op de hoek van de Valkeveenselaan en de Naarderstraat en bij de villa aan de Valkeveenselaan  nr. 20.
De begraafplaats Nieuw Valkeveen was Tersteegs laatste grote werk. Zoals al zijn ontwerpen is de opzet ervan zuiver architectonisch. Het in een punt toelopende terrein heeft twee hoofdassen, die elkaar ontmoeten in een open ruimte, zoals kenmerkend voor Tersteegs parkontwerpen. Vanuit de aula en de indrukwekkende ingangslaan met hoog geboomte kijkt men over deze open ruimte langs de graven op een groep ceders. Men heeft dan nog niet de indruk een begraafplaats te bezoeken. Pas op het moment dat de weg zich splitst komen de grafvelden in zicht.
Het terrein werd in het kader van de werkverschaffing eerst geëgaliseerd. Daarna werd het project in fasen uitgevoerd.
Het laatste deel van het ontwerp, waar de as van symmetrie eindigt in een gemetseld bassin en een halfrond oplopend gazon, is nog niet gepland. Het geheel zal echter in de toekomst volgens Tersteegs oorspronkelijke ontwerp worden voltooid.
De begraafplaats heeft een naar binnen gericht karakter met een zware omlijsting van bomen rondom. Kleinere bomen in vormsnoei markeren de paden en kruispunten binnen het terrein. De rijen graven zijn onderling gescheiden door lage haagjes. Verder gebruikte Tersteeg veel eenjarige bloeiende planten en treurrozen. Hij was een voorstander van een zekere uniformiteit in de graven, iets wat de jongere generatie landschapsarchitecten zoals Bijhouwer, Dudok en Warnau nog verder zou doorvoeren.
Tersteeg vreesde dat romantische, pronkzuchtige graven de zorgvuldig opgebouwde, ingetogen parkachtige sfeer zouden verstoren. Hij maakte de opening in 1944 niet meer mee. In 1942 werd hij in Naarden begraven op de oude Algemene Begraafplaats. Restanten van Tersteegtuinen zijn in Naarden nog te vinden in de (niet opengestelde!) tuinen van Zuiderhof aan de Bollelaan en een kleine tuin aan de Thierensweg, die Tersteeg voor de bevriende familie Haverman ontwierp.
Uit: ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’, deel 3. Rotterdam, 1998.

5. Algemene Begraafplaats Crooswijk, rijksbeschermde begraafplaats. Ontwerpers P. Adams (1829), Leonard Springer (1911), J.T.P. Bijhouwer adviseur (vanaf ca. 1930)

Begraafplaatsen kunnen ook tot monument worden aangewezen, zoals bijvoorbeeld Zorgvliet en De Nieuwe Ooster in Amsterdam, de Algemene Begraafplaats Maastricht, Begraafplaats Soestbergen te Utrecht en vele andere. Leden van de Vereniging Terebinth dragen hun steentje bij om begraafplaatsen te beschermen, door onderzoek te verrichten naar de geschiedenis van de begraafplaats, door het leven van overledenen nader te onderzoeken en ook door het schoonmaken en restaureren van grafstenen.

Ontwerp Algemene Begraafplaats Crooswijk, nadat de uitbreiding van Leonard Springer is gerealiseerd. 1918. Speciale Collecties WUR

Op het terrein van begraafplaats Crooswijk lag oorspronkelijk een zestiende-eeuwse boerderij, Huis te Kroes genaamd, die in 1634 eigendom werd van Allard van der Duyn. Het huis werd ook wel Duifhuis genoemd; dit verwijst naar het oude ‘heerlijke recht’ om duiven te mogen houden. Van der Duyn vernieuwde het huis en legde er een plantage aan.
Jakob Kortebrant, 1747. Huis te Kroes. Stadsarchief Rotterdam
“Op een tekening van Jacob Kortebrant uit 1747 staat Huis te Kroes aan de noordzijde afgebeeld, met daarvoor een formele achttiende-eeuwse pleziertuin.
Aan het begin van de negentiende eeuw was het Huis te Kroes, dat inmiddels Crooswijck heette, een aangename buitenplaats aan de Rotte, getuige de regels die er op waren aangebracht: ‘Ik ben, dat is kort geseyt, Stadts cieraad ende vroolijkheyd’. Aan die vrolijkheid kwam echter een einde toen in 1828 de gemeente de buitenplaats met tuin, moestuin, singel, oprijlaan en bos kocht om er een begraafplaats aan te leggen. De noodzaak van de aanleg was het gevolg van het bekende Koninklijk Besluit uit 1827, waarbij was bepaald, dat om redenen van hygiëne, dorpen en steden met meer dan 1000 zielen hun doden per 1 januari 1829 moesten begraven op een begraafplaats buiten de stad. Zo werd Het Huis te Crooswijck, ondanks de slechte verbindingsweg met de stad, begraafplaats Crooswijk. Ontwerper van de begraafplaats was de stadsarchitect
Op een kaart van Rotterdam uit het begin van de twintigste  eeuw is de rechtlijnige aanleg goed te zien. De oevers van de Rotte en vooral de noordelijke lus langs de Rotte en de boezemkade zijn langs de gracht, die rondom de plaats loopt, beplant met bomen en heesterpartijen. Deze vormen een slingerende coulisse tegen de noordenwind.
Direct achter de ingangspoort ligt een carré van aan elkaar liggen de grafkelders, alle in dezelfde grijze, hardstenen uitvoering en daarbinnen een rotonde van grafkelders en hoog opgaande populieren. Links en rechts daarvan lopen twee evenwijdige lange lanen. Aan weerszijden van deze lanen liggen de grafvelden.
Nog maar ternauwernood voltooid, was de begraafplaats al volop in gebruik, aangezien Rotterdam geteisterd werd door een cholera-epidemie. Omdat de toegangsweg niet verhard was en door regen vaak onbegaanbaar, werden de doden met bootjes over de Binnenrotte aangevoerd. De eerst begravene was een 41-jarige arbeider, die zelf als zandkruier aan de aanleg had meegewerkt, onwetend van het feit dat hij er spoedig zelf begraven zou worden. Bij wijze van memento mori werd hij liggend in zijn lijkwade uitgehouwen in de neoclassicistische poort die vroeger de hoofdingang vormde. Deze poort werd eveneens ontworpen door Pieter Adams.
Oostelijk van het oude gedeelte werd de begraafplaats vanaf 1911 door L.A. Springer uitgebreid. Aanvankelijk was de opdracht aan L.P. Zocher verleend, maar Springer nam de opdracht van de bejaarde Zocher over. Tussen 1913 en 1915 werden een kapel, een kantoor en een ontvangstruimte gebouwd in de toen al als ouderwets geldende neo-renaissancestijl, naar ontwerp van de stadsarchitect Gijsbert Friedhoff.
De kapel met de indrukwekkende populierenlaan vormt de kern van een nieuwe aanleg in gemengde stijl. De ingang van de begraafplaats werd door Springer verplaatst van de oude neoclassicistische poort aan de Crooswijkse bocht naar een plaats aan de Kerkhoflaan, waar twee nieuwe poortgebouwtjes werden gebouwd, die aansloten bij de nieuwe architectuur. De lange lanen van Adams zette Springer in zijn ontwerp voort. Het meest oostelijke deel vertoont een sjabloonachtige landschapsstijl, maar is voor een begraafplaats ruim van opzet en parkachtig van sfeer. De duurdere graven zijn langs de paden gegroepeerd en de goedkopere liggen in rechte stroken daarbinnen.
De laatste grote uitbreiding vond plaats in de jaren dertig in noordelijke richting. Hier trad Jan Tijs Pieter Bijhouwer op als adviseur. Dit deel wordt van de rest gescheiden door de langgerekte waterpartij die om het hele oude gedeelte heen loopt en voorzien is van glooiende taluds met treurwilgen. Op het nieuwe deel is de indeling grotendeels rechtlijnig en efficiënter dan het oude gedeelte, dat nog de hiërarchische sfeer van een vijfklassen-begraafplaats uitademt.
De rustplaats wordt gedomineerd door monumentale bomen, waaronder een aantal bijzondere, zoals de 150 jaar oude beuk, een vleugelnoot, een hemelboom, een doodsbeenderenboom, een moerascipres en een metasequoia. In de oudere gedeelten staan veel typische begraafplaatsbomen, zoals verschillende treurbomen en de altijd groenblijvende gesnoeide hulstbomen (Ilex aquifolium). Sfeerbepalend zijn ook de bloesems en de fors uitgegroeide grove dennen. In de rust van de begraafplaats kunnen zich op oude, vooral op zachtere steensoorten bijzondere mossen ontwikkelen. Crooswijk neemt met zijn spontaan ontwikkelde collectie mossen en korstmossen een heel bijzondere plaats in. Bij een inventarisatie in 1986 werden er vierenveertig soorten bladmossen en vier verschillende soorten levermossen geïdentificeerd: een rijke verzameling, die eigenlijk alleen in bepaalde natuurgebieden kan worden aangetroffen. 
Bezienswaardige graven zijn de ‘erehoven’ van in de Tweede Wereldoorlog gesneuvelde soldaten en een aantal versierde monumenten van havenbaronnen en politici, zoals het graf van de oprichter van de SGP, Gerrit Hendrik Kersten, met daarop een opengeslagen stenen bijbel. Verder hebben op Crooswijk een aantal legendarische Rotterdammers hun laatste rustplaats gevonden, zoals de spreekwoordelijk oude Opoe Herfst die 107 jaar oud werd; de spion uit de Tweede Wereldoorlog, Christiaan Lindemans, alias ‘King Kong’ en ‘de Reus van Rotterdam’.
Begraafplaats Crooswijk is een beschermd Rijksmonument”.

Lees verder 5. Algemene Begraafplaats Crooswijk, rijksbeschermde begraafplaats. Ontwerpers P. Adams (1829), Leonard Springer (1911), J.T.P. Bijhouwer adviseur (vanaf ca. 1930)

4. Henri Copijn en Eduard Hoppe ontwerpen Nordfriedhof Düsseldorf

Begraafplaats Nordfriedhof Düsseldorf (1882)
Dit is al weer de vierde begraafplaats die we bekijken in verband met de vraag van Ver. Terebinth om nieuwe bestuursleden. Het Nordfriedhof  Düsseldorf werd in 1882 ontworpen.  Het is een uitgeschreven prijsvraag geweest, waarvoor Henri Copijn en Eduard Hoppe een ontwerp hebben gemaakt.
Het ontwerp van Copijn is hoofdzakelijk in landschapsstijl; dat van Hoppe duidelijk in gemengde stijl.
Over de familie Copijn is in 2014 een dik boek verschenen, daar is na  10 jaar misschien wel weer iets aan toe te voegen, maar het is een prachtig standaardwerk. Titel: Met levend materiaal. COPIJN 1763-2013. Tweehonderdvijftig jaar tuinlieden, boomkwekers boomverzorgers en tuin- en landschapsarchitecten. Geschreven door Mariëtte Kamphuis. Rotterdam, De Hef, 2014.

Copijn, H. Prijsvraagontwerp  Nordfriedhof  Düsseldorf, 1882. Ontwerp “Plan des Landschaftsgärtners H. Copijn in Groeneckan bei Utrecht”. Kleurenlitho Speciale Collecties WUR

De graven liggen in de open velden. Het ontwerp had net zo goed geschikt kunnen zijn als wandelpark, maar nu worden de open weiden ingevuld met graven gerangschikt langs gebogen lijnen. Toevallig is er ook een Duitstalige catalogus van de kwekerij van Copijn uit 1882-1883 bewaard gebleven bij de collectie kwekerscatalogi die bewaard wordt in Speciale Collecties WUR.
Men kan zich dus een beeld vormen welke planten in die tijd verhandeld en in de mode waren.
E. Hoppe. Eerste prijs-ontwerp Begraafplaats Düsseldorf, 1882. Kleurenlitho. Speciale Collecties WUR
Maar de prijsvraag werd gewonnen door Eduard Hoppe. Zijn ontwerp wordt gekarakteriseerd door een monumentaal gedeelte, waarbij de graven in een compact gedeelte, in de vorm van een groot kruis, zijn gerangschikt. De rest van de ruimte die beschikbaar was heeft Hoppe als  ‘parmantigen Friedhof’ ingericht.
In Duitsland zag men aan het eind van de 19de eeuw (in Nederland pas halverwege de twintigste eeuw) begraafplaatsen al als wandelpark en die opvatting komt in dit ontwerp wel exclusief naar voren.
Grafsteen van Eduard Hoppe, en waarschijnlijk zijn dochter en zijn vrouw op Friedhof Zehlendorf, Berlin

3. Begraafplaats Westerbork (Dr.)

3. Begraafplaats Westerbork

Dit Bericht maakt deel uit van een serie over begraafplaatsen,  omdat de Vereniging Terebinth wat extra aandacht verdient. Bestuursleden gevraagd! Tegelijkertijd willen we met enige berichten aandacht vragen voor onbekende begraafplaatsen en onbekende tuinarchitecten die begraafplaatsen vorm hebben gegeven. In dt geval gaat het nu eens niet om de tuinarchitecten Jan Zocher of Leonard Springer, maar om de Groningse tuinarchitect Jan Vroom Jr., (1893-1958 ), als ontwerper van de begraafplaats in Westerbork.

Ontwerp Begraafplaats Westerbork. Jan Vroom, 1946. Deze begraafplaats vertoont delen in landschappelijke stijl en geometrische stijl. Speciale Collecties WUR
Uitbreidingsplan begraafplaats Westerbork, schaal 1 : 500.
Jan Vroom, 1951. Speciale Collecties WUR
Jan Vroom jr. werd in 1893 geboren in Glimmen. Om zich te bekwamen in het familieberoep tuinarchitect volgde hij een opleiding aan de tuinbouwschool in Frederiksoord. Door een oogziekte van zijn vader moest hij deze opleiding echter al na een jaar afbreken om diens werk als tuinarchitect over te nemen. Om zeker te zijn van een tijdige levering van goed plantmateriaal begon Jan Vroom jr. in 1919 een eigen kwekerij, ‘Bonte Hoek’. Het werd nu ook mogelijk om de ontworpen tuinen in eigen beheer te gaan uitvoeren. Hij ontwierp vele particuliere tuinen en ook de groenaanleg bij een groot aantal inrichtingen, ziekenhuizen en bejaardenhuizen in geheel Nederland en hij werkte aan uitbreidingsplannen van diverse gemeenten, waaronder Stadskanaal en Drachten. Na zijn overlijden in 1958 werd het bedrijf voortgezet door zijn zoons die het in 1968 opdeelden in kwekerij ‘Bonte Hoek’, uitvoeringsbedrijf ‘De Punt’ en ‘Tuin- en landschapsarchitectenbureau Vroom’ (opgeheven in het midden van de jaren ’80).
Het kamp Westerbork werd door de Nederlandse regering in 1939 gebouwd als Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork om Joodse vluchtelingen uit Duitsland op te vangen. Ruim twee jaar na het begin van de Duitse bezetting, op 1 juli 1942, namen de nazi’s het kamp over, waarna Westerbork functioneerde als doorgangskamp.
Hoewel iedereen weet dat de meeste Nederlandse Joden via het doorgangskamp Westerbork werden vervoerd naar Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt en Bergen-Belsen, zijn er toch ook Joden begraven op deze gemeentelijke begraafplaats in Westerbork. 

Nut boven schoonheid of schoonheid boven nut?

Wat prevaleert in dit geval? Het openhouden van een zichtlijn tussen Huize De Tangh en de Rijn OF het aanleggen van een wijngaard op die zichtlijn, op de plaats van een vroegere tabaksplantage?

Boven: Tegenwoordige zichtlijn op Huize De Tangh vanaf de Utrechtsestraatweg. Het huis is nu nog zichtbaar -de wijnstronken zijn eind april geplant-, maar dat zal niet lang meer duren. Foto Carla Oldenburger, 2023

Vanmiddag (24 mei 2023) reed ik langs de Utrechtsestraatweg van Rhenen naar Amerongen. Je passeert dan het bijna 100 jaar oude Huize De Tangh even buiten Rhenen aan je rechterhand, terwijl je de zichtlijn -van het huis naar de Rijn- kruist. Aan je linkerhand is er dus zicht op de (uiterwaard van) Rijn.

Het huis is gebouwd in 1927 o.l.v. de Wageningse architect J.B. van der Haar, in opdracht van de eigenaar, destijds huisdokter van Rhenen, William Waller. Hij had de  bouwgrond al gekocht in 1920, om daar ter plekke een nieuw huis te laten bouwen in koloniale (Kaapse) stijl.

Boven: Zicht vanaf de Utrechtsestraatweg op (de uiterwaard van) de Rijn bijna dichtgegroeid. Foto Carla Oldenburger, 2023

Vroeger was de situatie anders, vooral een veel meer open zicht op de Rijn en grazende koeien in de voorweide (nog vaag te zien op de oude foto). Zie hieronder een archieffoto met zicht vanaf het terras voor het huis  op de Rijn.

De grond loopt af naar de Rijn, dus vanuit het huis zal de Rijn nog wel even zichtbaar blijven, maar vanaf de Utrechtsestraatweg opkijkend naar het huis, zal het zicht op het huis gedeeltelijk verdwijnen. Het huis en het landgoed zijn niet beschermd als rijks – of gemeentelijk cultuurmonument, maar zeker is dat het zicht op de Rijn wel een hele belangrijke rol gespeeld zal hebben bij het bepalen van de locatie voor de bouw van het huis. De “genius loci” is hier alles bepalend, en daarom is m.i. het aanleggen van een wijngaard op deze plaats geen goed idee geweest.

In 2020 is een boek over de geschiedenis van huis en landgoed De Tangh verschenen en historisch gezien heel terecht heeft dit boek de volgende titel meegekregen: Genius Loci. Landgoed De Tangh. Ontstaan en geschiedenis van een familielandgoed en buitenplaats in Rhenen op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug. Auteurs Stef van Doesburg, Ronald van Immerseel, Merel Haverman e.a.. Rhenen, 2020.

In vroeger tijden -zo is bekend, maar ik heb er geen archiefstuk van gezien- lag voor het huis een tabaksplantage. Dergelijke plantages waren een heel normaal verschijnsel in de hele omgeving en de “straatnaam” Plantage Willem III, iets verderop langs de Utrechtsestraatweg, herinnert daar nog aan. Het is wel aannemelijk dat er tijdelijk in de voorweide een tabaksplantage is geweest, maar een open weide voor het huis met grazende koeien of herten (denk aan Engelse landscape gardens in vorige eeuwen) zal het huis toch zeker een voornamer aanzicht hebben gegeven. Vandaar dat de laatste jaren de Lakenvelders in de voorwei een schitterend beeld opleverden en ik dat beeld liever in gedachten houd dan deze onlangs aangeplante zicht-verhinderende wijngaard.

 

 

 

 

 

Boven: Lakenvelders in de voorweide. Foto Carla Oldenburger, 2014

Het is erg jammer dat nog steeds niet bekend is of er een landschapsarchitect zich met deze aanleg heeft bemoeid. Ook is mogelijk dat William Waller, geholpen door de architect J. B. van der Haar, zelf de locatie van het huis heeft bepaald en de huisplaats op de zichtlijn heeft aangegeven. En de achtertuin (in formele stijl), met muurwerk tegen het wild en tegen de noordenwind (?) inclusief een rosarium zou misschien ook wel van zijn eigen hand kunnen zijn. Ik heb wel eens in een lezing voor de Historische Vereniging van Rhenen en Omstreken de naam van de lector Tuin-architectuur aan de Rijks Landbouw Hooge School (opvolger van Leonard Springer) in dit verband laten vallen als mogelijke ontwerper, omdat hij juist in tegenstelling tot Springer, graag in formele stijl werkte. Maar voorlopig zal het antwoord op dit raadseltje nog wel even onopgelost blijven.

 

Zijn naam is Hendrik Francois Hartogh Heys van Zouteveen (1870-1943), bekend in Wageningen en daarbuiten. Hij was o.a. een van de oprichters van de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten in 1922. Volg de groene link hierboven voor zijn uitgevoerde werken, voorzover bekend.

U zult het al wel begrepen hebben. Als antwoord op de gestelde vraag in de titel, gaat mijn voorkeur uit naar “Schoonheid boven nut”. Dat zal het antwoord ook zijn van iedere tuinarchitect, als het gaat om een buitenplaats of villatuin, omdat een zichtlijn, gekoppeld aan de locatie van het huis,  primair en heilig is in een tuinontwerp.

Visvijvers van Kasteel Vliek

Kasteel Vliek (Ulestraten, Limburg) en visvijvers uit de 18de eeuw

Onlangs kregen we een vraag van Bureau Verbeek (Maastricht) of we mee wilden denken over de watersystemen van Kasteel Vliek. Het gaat om de aanleg van een aantal waterbuffers, omdat het water nu te snel door de ‘beek’ naar beneden stroomt, waardoor er wateroverlast ontstaat in het dorp Meerssen. Er is wel Tuinhistorisch onderzoek gedaan door Buro4 (Roermond), maar dit was gericht op het herstel van de stijltuinen bij het kasteel, niet op de landschappelijke aanleg / cascade van visvijvers. Voordat we aan de slag gingen, hebben we eerst de hieronder volgende beschrijving van de tuinen van Kasteel Vliek weer doorgenomen, zoals we schreven in de ‘Gids voor de Nederlandse tuin- en Landschapsarchitectuur’, deel 4  (Rotterdam, 2000).

Over de visteelt in visvijvers: In de 18de eeuw werden visvijvers aangelegd voor de cultuur van vis  als gezonde voeding voor de mens. Extensieve visteelt  heeft nauwelijks negatieve effecten op de omgeving mits de uitgezette vis van nature ook in de omgeving voorkomt en de aanleg van de vijvers niet ten koste is gegaan van waardevolle ecosystemen en natuurgebieden.

Grote en kleine vijver ten zuiden van Kasteel Vliek (Ulestraten, Limburg), overblijfselen van een reeks van 18de eeuwse visvijvers

Beschrijving tuinen park Ulestraten uit de Gids voor Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur: ” De oudste vermelding van Kasteel Vliek dateert uit 1374, toen ridders uit het geslacht Vliek op deze plaats een huis bezaten. Het huidige typisch Maaslandse huis werd omstreeks 1725 gebouwd door een zekere De Lennaerts, toendertijd burgemeester van Maastricht. Huis Vliek ligt ten zuidwesten van het dorp Ulestraten, op de weg naar Meerssen, in het dal tussen de Wijngaardsberg en de Biesenberg. Rond 1800 werd het aan de achterzijde voorzien van een binnenhof, omsloten door twee bouwhuizen en een tiendschuur. Circa 1850 werd het bakhuis met een gekanteelde muur in neogotische trant met het kasteel verbonden. Helaas is deze muur aan het eind van de vorige eeuw  verdwenen.

Topografische Kaart uit ca. 1907, met in blauw de grote en kleine vijver bij Kasteel Vliek en richting noordoost een cascade van rechthoekige visvijvers 

Op de Topografische Militaire Kaart uit 1838-1857  ziet men een met bomen beplante toegangslaan. Deze laan loopt als zichtas achter het huis door een boomgaard en door het hellingbos en over de Wijngaardsberg omhoog. Aan de voet van de Wijngaardsberg liggen zeven waterbassins achter elkaar, die zeker uit de achttiende eeuw dateren en gebruikt werden om vis te kweken. Overblijfselen  hiervan zijn de grote en kleine ronde vijvers en het formele grondplan van twee parterres (loofperken) ten noordoosten van de doorzichtas. De aanleg wordt gekarakteriseerd door een moestuin, een boomgaard en visvijvers.

In de tweede helft van de negentiende eeuw zullen de visvijvers waarschijnlijk langzaam zijn dichtgeslibd en is de vijfde vijver als landschappelijke vijver bewaard gebleven. Op de kaart van 1907 (herzien in 1920) zijn de resultaten hiervan goed te onderscheiden. Ten zuiden en zuidwesten van het huiscomplex zijn nu een bescheiden rondwandeling in opgaand bos en landschappelijk vergraven vijvers te onderscheiden, waarvan de grootste met eiland. Ten noordoosten van de grote vijver liggen dan nog enkele formele bassins. De hellingen van de Wijngaardsberg zijn bebost; het doorzicht van huis naar berg is gebleven. Dit hellingbos is openbaar toegankelijk. Aan de voet van de Wijngaardsberg werd in de tweede helft van de negentiende eeuw een neogotisch tuinhuis gebouwd, waarover een kunstmatige waterval werd geleid. Alleen de fundamenten van deze kunstzinnige folly zijn bewaard gebleven. Het huisje stond niet voor niets op deze plaats; het contrast tussen het weidse dal en de beboste heuvels was hier optimaal.

Ontwerp Van L.A. Springer voor 0mgeving Kasteel Vliek, 1915. Noorden beneden

De tuinarchitecten D.F. Tersteeg en L.A. Springer hebben respectievelijk in 1907 en 1915 het parkgedeelte achter het huis naar hun visie trachten in te richten. Tersteeg ontwierp enkele bruggetjes en mogelijk ook de rustieke badtempel aan de vijveroever. Wie van de twee de ontwerper is van de drie formele parterres en de verschillende trappartijtjes is niet duidelijk. Het komt ons wat vreemd voor stijve historiserende parterres aan te leggen in zo’n van nature glooiend dal, aan de voet van een hellingbos, maar de mode van de gemengde stijl eiste dergelijke versierselen. Hoewel Tersteeg en Springer waarschijnlijk beiden in hun hart tegen deze ingreep waren, was de klant koning. Kasteel Vliek is in het kader van de Monumentenwet door het rijk aangewezen als beschermde historische buitenplaats.”

Hieronder volgen afbeeldingen van de kadastrale hulpkaarten uit 1880 en 1893, waarover Jan Holwerda het in onderstaande reactie heeft.

Kadastrale hulpkaart omgeving Kasteel Vliek, 1880.

Kadastrale hulpkaart omgeving Kasteel Vliek, 1893

Artikelen uit Vakblad GROEN (1975-2017)

Op 10 januari publiceerde ik hier een Bericht met een lijstje artikelen van mijn hand, uit het tijdschrift Tuinjournaal van de Nederlandse Tuinenstichting, geschreven tussen 1988 en 1999.

Nu heb ik aanvullend een lijst gemaakt van mijn artikelen in het Vakblad Groen, verschenen tussen 1975 en 2017. Dat zijn 35 artikelen, die nog niet alle gedigitaliseerd zijn. Bent u nieuwsgierig naar een van die niet-gedigitaliseerde artikelen, dan kunt u dat hier kenbaar maken in een reactie, en dan kan ik alsnog vragen aan de Bibliotheek WUR of het mogelijk is die te digitaliseren.

Voor de goede orde, groen gemarkeerd betekent doorklikken naar artikelen mogelijk.

Hier volgt de lijst met artikelen (1975-2017):