(242) De afgelopen jaren heeft ons bureau tweemaal een opdracht voor de gemeente Amersfoort uitgevoerd. Eenmaal een Tuinhistorisch onderzoek op de buitenplaats van de architect Jacob van Campen, Park Randenbroek, en eenmaal een Tuinhistorisch onderzoek op de buitenplaats van de toneelschrijver Everhard Meester, Park Nimmerdor.
Bovenstaande diashow laat de bijbehorende afbeeldingen zien die deze onderzoeken ondersteunen.
(234) Gisteren (19 maart 2021) stond er in de dagelijkse Berichten van het tijdschrift MONUMENTAAL een artikeltje over Deventer Tapijten in Huis van Brienen (Herengracht 282, Amsterdam).
Deventer tapijt in Huis van Brienen Amsterdam
Deze tapijten werden in Deventer vervaardigd in de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek (1797-1978). Maar er waren meer tapijtfabrieken, waaronder de Hand-tapijtknoperij Kinheim te Beverwijk (1910 tot 1973). De grootste collectie tapijten uit Beverwijk bevindt zich in Museum Kennemerland te Beverwijk. Op de website van dit museum staat onder meer te lezen: “Hendrik Godefridus Polvliet startte volgens het handelsregister de Tapijtknoperij ‘Kinheim’ op 1 september 1910 aan de Zeestraat 104 te Beverwijk. Oorspronkelijk zat het bedrijf aan de Vondellaan in Beverwijk, toen nog Spargielaan geheten. Zijn vrouw, mevrouw C.M. Polvliet – Van Hoogstraaten (1883-1966), was daar al in 1909 gestart met de handtapijtknoperij ‘Kinheim’. Op kleine schaal werden hier met de hand tapijten geknoopt. Zie verder het hele document van het museum en bovenstaande diashow.
Cornelis Vreedenburgh. Damplantsoen en Koninklijk Paleis (voormalig stadhuis) Amsterdam, 1927. Olieverf op doek.Kunsthandel Bijl-van Urk, Alkmaar
(225) Enige maanden geleden kwam ik op LinkedIn boven afgebeeld schilderij tegen. Bij de foto werd de vraag gesteld “wat zien we voor soort tuin of volkstuin op de voorgrond”? Ik reageerde hierop met het antwoord dat het een tuin betrof in de zogenaamde ‘Oud-Hollandse stijl’, passend bij de architectuur van het voormalig stadhuis van Amsterdam op de Dam, dat gebouwd werd vanaf 1648 en ingewijd werd in 1655.
Dit gegeven heb ik uitgewerkt in een artikel, dat onlangs geplaatst werd in Cascade Bulletin voor Tuinhistorie Jg.2020, p. 33-44. De titel luidt: Over het Damplantsoen, zijn ontwerper en de ‘Oud-Hollandse stijl’.
De inhoud van dit Bulletin luidt:
– Lenneke Berkhout. ‘De beste en kundigste enteniers van geheel Europa’. – Carla Oldenburger-Ebbers. Over het Damplantsoen, zijn ontwerper en de ‘Oud-Hollandse stijl’. – Els van der Laan-Meijer. Datering van Roodbaards ontwerptekeningen. – Ciska van der Genugten. De planten van de barones. – Laudatio uitreiking Carla Oldenburger-Ebbers Penning 2020. – Lisa Johnson. Pieter de la Court van der Voort en innovaties in de ananasteelt. – Cas van Rossum. ‘De voornaamste vermaaken der Dordtenaaren’. – Iris de Baat. Er was eens een natuurpark in Kaatsheuvel.
Cascade Bulletin 2020 te bestellen via redactie@cascade1987.nl
(224) Vroeger in mijn functie als conservator van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (Landbouwuniversiteit) moest ik altijd in januari een verslag / overzicht van projecten van het afgelopen jaar maken. Dat werd dan weer in het jaarverslag van de Bibliotheek Landbouwuniversiteit opgenomen en gepubliceerd. Sinds 2000 gebeurde dat als e-uitgave.
Een dergelijk jaarverslag is de afgelopen jaren soms wel en soms niet opgemaakt over de werkzaamheden van Bureau Binnenstad & Buitenleven (Oldenburgers.nl). Een verslag over dit afgelopen jaar willen wij weer eens graag aan onze lezers en klanten voorleggen.
2020-Projecten Oldenburgers Binnenstad en Buitenleven:
Wassenaar Backershagen ontwerp vroeg-20ste eeuwse tuin bij entree, in de geest van L.A. Springer. Afgeleverd en aanvaard). Part. Uitvoering wordt vervolgd.
Wieringerwaard, vóór-onderzoek en offerte voor 17de eeuws tuinontwerp bij Polderhuis. Part. Wordt vervolgd.
Hilversum Villa Kruisheide (rijksmonument). Tekst redengevende omschrijving tuin Villa Kruisheide opgesteld. Gem. Hilversum. Afgeleverd. Gevolgd door advisering.
Amsterdam Vondelpark. Cultuurhistorisch onderzoek (uitgevoerd door Walther Schoonenberg) naar de geschiedenis van Het Groot Melkhuis. 34 p. Via Rod’or Advies. Afgeleverd.
ONTWERP GROOT MELKHUIS. OF BOERDERIJ, L.P. ZOCHER, 1874. COLLECTIE PANDENARCHIEF, STADSARCHIEF AMSTERDAM
Amsterdam begraafplaats St. Barbara. Ontwerp urnenmuur. In opdracht van Begraafplaats St. Barbara. I..s.m. Coen van der Heiden, architect. Oriëntatie, wordt vervolgd in 2021.
Amsterdam Claes Claesz.Hofje. Kleurontwerp schilderwerk Hofzijde, in opdracht van St. Diogenes. Het schilderen begint in januari 2021.
2020-Artikelen:
Artikel JO: ‘Der Garten als Spiegel der Welt’, in: ‘Historische Gärten und Gesellschaft. Kultur-Natur-Verantwortung’. p. 302-308. Berlin (Stiftung Preussische Schlösser und Gärten, Berlin Brandenburg, Schnell + Steiner), 2020. Eveneens engelse uitgave.
Artikel CO: ‘Over het Damplantsoen, zijn ontwerper en de ‘Oud-Hollandse stijl’. 13 p. Cascade Bulletin 2020, p. 33 t/m 44. (verschenen in nieuw format jan. 2021).
Artikel JO: ‘Iepen bedreigd door kademuurrenovatoe?’ Binnenstad 296 (jan./febr.2020), p. 8-10.
Losse relevante adviseringen, uitgewerkt in weblogs: 1) Kaart van de Hofstede Adrichem. Uitgewerkt in weblog: ‘Huis Adrichem, is dit een ontwerp van J.G. Michael?’; 2) Welke Zocher ligt begraven op Kerkhof NH Kerk te Bloemendaal? Uitgewerkt in weblog: ‘Zocher-grafsteen op het kerkhof in Bloemendaal’; 3) Tuinontwerpen in de Collectie Six? Uitgewerkt in weblog: ‘Ontwerp rond Huis Mereveld van Johannes Montsche (1734-1799)? 4) N.a.v. een toegezonden notaris-advertentie omtrent Zocher en de buitenplaats Rosorum. Uitgewerkt in weblog: ‘Nieuwe Zocher (J.D. en L.P.) gedetecteerd’. 5a) Vraag over de aanwezigheid van een historisch doolhof-patroon op Texel. Uitgewerkt in weblog: ‘Het Bosch van Engelsteen op het eiland Texel’; en 5b) ‘Het Bosch van Engelsteen of ’t Bossie heden ten dage (2). 6) N.a.v. de vraag welke tuin bedoeld zou kunnen zijn met een prent genoemd Angiers (in de salon van Brakestein), genoemd in de boedelscheiding van 1711? Uitgewerkt in weblog: ‘Prenten in de salon van Buitenplaats Brakestein te Texel’. 7) N.a.v. een vraag van de ‘St. Historische Behangsels en Wanddecoraties’, een artikeltje voor hun Nieuwsbrief over ‘bloemschilderen’.
Binnentuin Teylers Hof en het neoclassicistische toegangsgebouw met Dorische zuilen. Ontwerp Leendert H. Viervant. Naast de woonhuisjes en het toegangsgebouw is ook de hardstenen pomp in het centrum van de tuin een rijksmonument
(223) Het Teylers Hofje aan de Koudenhorn in Haarlem (24 huisjes rond een binnentuin) is 29 december 2020 verkocht aan de Ver. Hendrick de Keyser. Deze vereniging heeft tot doel rijksmonumenten, zoals dit hofje, voor de eeuwigheid in hun meest oorspronkelijke staat te behouden.
Het Hof is gebouwd tussen 1780 en 1784 en is gefinancierd uit de nalatenschap van Pieter Teyler van der Hulst, evenals het Teylers Museum aan het Spaarne en het Teylers Fundatiehuis om de hoek in de Damstraat. De gebouwen zijn rijksmonument, echter niet de tuin, omdat deze naar we aannemen uit de tweede helft van de 20ste eeuw dateert.
Binnentuin Teylers Hof met pomp en uitzicht op de karakteristieke Bakenesserkerk (voor de reformatie de Onze Lieve Vrouwekapel op Bakenesse)
Omdat de Vereniging Hendrick de Keyser er naar streeft haar monumenten te behouden in een zo oorspronkelijk mogelijke staat en daarbij ook de samenhang tussen huis en tuin optimaal wil laten uitkomen (denk aan de tuin achter Museum-Huis Bartolotti aan de Herengracht of aan de samenhang tussen het Huis Ramswoerthe en het originele park van H. Copijn en Zn. daarachter) èn omdat de originele ontwerpen van Leendert Viervant behouden zijn gebleven, is het in principe mogelijk de originele tuin weer te reconstrueren. De tuin die er nu ligt ziet er prima uit, maar origineel is hij niet. De stijl van de huidige tuin past niet bij de stijl van de gebouwen, dat is heel duidelijk te constateren als we naar het originele ontwerp van Viervant kijken (hieronder afgebeeld).
Ontwerp van Leendert Viervant van de binnentuin van Teylers Hofje, ca. 1785
Het binnenste centrale deel van de tuin bestaat uit langgerekte grasstroken afgewisseld met witte (?) marmerslag, met een ronde cirkel in het midden (mogelijk de plaats van de pomp). De vier zijperken zijn elk gevuld met drie kleine bloemvakken, verbonden door slingerpaadjes. Dit zijn vroege verwijzingen naar de laat-18de eeuwse landschapsstijl. In de voorste twee zijperken zijn langs het pad kleine boompjes geplant en zijn de ruimtes aan beiden zijden van de slingerpaadjes ingevuld met andere planten dan die in de vakken. Er is een kleine draaïng in de middenas waarneembaar om de aansluiting op het middelpunt van de dwarsas (voor en achter) te vervolmaken.
Ons bureau heeft de vereniging Hendrick de Keyser aangeboden eens te komen brainstormen over dit tuinontwerp uit de beginperiode van de landschapsstijl.
Ver. Hendrick de Keyser heeft bovenstaande beschrijving van het ontwerp enthousiast ontvangen. We gaan nadenken over een vervolg!
Vandaag las ik op LinkedIn over een nieuwe aanwinst van Kunsthandel Bijl-Van Urk B.V., namelijk een schilderij van Cornelis Vreedenburgh, gedateerd 1927. Op LinkedIn werd de vraag gesteld: “wat zien we voor soort ‘tuin’ of ‘volkstuin’ op de voorgrond?”
Mijn antwoord was dat het hier een tuin in zogenaamde “Oud-Hollandse” stijl betrof, passend / aansluitend bij het gebouw, voorheen het stadhuis van Amsterdam, gebouwd/ontworpen door Jacob van Campen vanaf 1648 en gereed in 1665.
Cornelis Vreedenburgh. Damplantsoen en Koninklijk Paleis (voormalig stadhuis van Amsterdam), 1927. Kunsthandel Bijl-Van Urk, Alkmaar
We zien op het schilderij op de voorgrond een verdiepte tuin, opgebouwd uit grasvlakken en rechtlijnige bloemenborders. De tuin is verdiept en ontworpen langs een as van symmetrie, die aansluit op de middenas van het paleis. De tuin wordt ontsloten door een trappartijtje, gelegen in het midden van de dwarsas (voor de tram) en ook zijn dergelijke trapjes te vinden in het midden van de lengte-assen rond het middenperk. Op de hoeken van de lange perken en in het centrum van kleine vierkante perken staan taxussen geplant. De lange perken zullen nog met bloemen gevuld moeten worden, net zoals de perken aan beide zijden van de eerste trappartij. Het grote centrale rechthoekige grasvlak ligt binnen een wandelpad van flagstones en wordt daarbuiten afgesloten door (waarschijnlijk) buxusranden. Het beplantingsontwerp is volgens de rubriek Chronologie van het Stadsarchief Amsterdam (Onderwerp De Dam als plaats van herinnering) gemaakt door de gemeentelijke tuinarchitect Ir. J.R. Koning jr. .
De stijl van ontwerpen doet erg denken aan de stijl van Leonard Springer. Hij is in 1925 (toen de werkzaamheden begonnen) 70 jaar, en alhoewel is gebleken dat hij nog lang niet aan stoppen dacht in dat jaar, is de opdracht hem toch niet gegund. In de Springer Collectie Wageningen Library is wel enige summiere documentatie te vinden, namelijk een rijmpje uit het Haarlems Dagblad van T. de Rijmer, een krantenartikel uit De Telegraaf (1930-04-09) en een krantenfoto van het Damplantsoen.
Ik zal eens verder zoeken op naam van J.R. Koning, om er achter te komen bij welke projecten hij nog meer betrokken was in Amsterdam.
Aanleg Damplantsoen, Bouwput 1925, vlak voor de aanleg van het plantsoen.. Coll. Stadsarchief Amsterdam
Op bovenstaande foto zien we de omschutte bouwput van het toekomstige plantsoen, maar eigenlijk was het een ruimte die vrijgekomen was door de afbraak (1912) van het voormalige Commandantshuis ( D’Ailly’s Historische Gids van Amsterdam. Bewerking H. F. Wijnman. 1968) en de sloop van de westzijde van de Warmoesstraat. Er was een plan om hier een hotel te bouwen, maar dat is niet doorgegaan. Het Damplantsoen was bedoeld als tijdelijke tussen-oplossing. Zie https://www.amsterdamsebinnenstad.nl/binnenstad/277/middendam-kromhout.html
12 september 1925. Officiële opening van het Damplantsoen 1925. Zicht over het Damplantsoen van Hotel Krasnapolsky naar Het Paleis. Coll. Stadsarchief AmsterdamHier is goed te zien dat de paden aan de voet van de borders en rondom het centrale grasperk uit flagstones bestaan. NB de tram die hier te zien is, staat ook op het schilderij afgebeeld. Coll. Stadsarchief Amsterdam
Met dank aan Walther Schoonenberg en Hans Krol.
Nader onderzoek leverde een artikel over dit onderwerp op. Zie: Carla Oldenburger. ‘Over het Damplantsoen: ontwerper en karakteristieke kenmerken’. 13 p. Cascade Bulletin 2020 (verschenen 2021), p. 33 t/m 44.
n.a.v. de lancering van de publiekscampagne Dit is in Limburg
Neercanne ca. 2020. Luchtfoto. Buiten de muren van het kasteel een boomgaard en een wijngaard
3 juli jl: “We staan met de voeten in de klei bij een van de nog onontdekte parels van Limburg”, sprak Iris Bakker van Visit Zuid-Limburg bij de lancering van de publiekscampagne Dit is in Limburg. De bijeenkomst vond plaats in de Kweeperentuin (de Gaard) van Neercanne. Doel van de actie is vakantiegangers te verleiden naar onontdekte parels in de zuidelijke regio te gaan. De corporate pr functionaris doelde daarbij niet alleen op de gaard van het château, maar ook op de geleverde krachtsinspanning door de marketingorganisaties van Noord-Limburg, Midden-Limburg, Zuid-Limburg en Maastricht.
Ik wist helemaal niet dat er een Kweeperentuin was, behorend bij Neercanne. In 2000, voor de aanleg van deze tuin, maakte ik een beschrijving van de tuinen van Neercanne voor de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur (Rotterdam, 2000). De Kweeperentuin is later toegevoegd. Mijn tekst luidde in 2000:
“Tegen de dalwand van de Jeker, op de oosthelling van de Cannerberg, ligt vlak voor de grens met België kasteel Neercanne. Het tegenwoordige kasteel dateert uit 1698. Het werd in classicistische stijl gebouwd in opdracht van generaal Daniel Wolff Baron den Dopff, gouverneur van Maastricht. Den Dopff liet midden voor het kasteel drie terrassen aanleggen.
Het laagste terras aan de kasteelzijde van de weg, bestond uit een rijke parterre de broderie met in het centrum een bassin. Aan de overzijde van de weg werden de tuinen voortgezet met een breed bassin, afgesloten met een halfronde ‘exedra’ en een zichtlaan. Rondom graasden koeien. Overblijfselen in de vorm van een poel zijn hier nog terug te vinden. De tuinen van Neercanne waren in 1717 zo beroemd, dat Tsaar Peter de Grote het bos en de hof kwam bezichtigen.
G. de Bruyn. Neercanne. Gravure 1715
Aan het eind van de zeventiende eeuw was Neercanne in de eerste plaats een ‘villa rustica’: een economisch landbouwbedrijf waar bovendien het plezier van het buitenleven gecombineerd werd met dat van de kunsten. De economische functie werd door klassieke tuinbeelden gesymboliseerd, zoals die van Mercurius, het symbool van welvaart en voorspoed; Diana, symbool van de jacht en Ceres, symbool van de landbouw. In het heldendicht van Francois Halma uit 1715, getiteld ‘Het Kasteel van Aigermont…‘ kunnen we lezen dat de economie van Neercanne was gebaseerd op landbouw (korenvelden), fruitcultuur (boomgaarden en fruit tegen de hoge warme mergelmuren op het tweede terras), houtcultuur (sterrebossen), wijncultuur (ook tegen de muren), bijenteelt en veeteelt (in de overtuin en ook in de omliggende velden graasden koeien). Deze landbouwactiviteiten spelen ook een belangrijke rol in Vergilius’ ‘Georgica’ waarin het leven op het land wordt verheerlijkt. Het is dan ook niet toevallig dat Vergilius in het gedicht van Halma een rol speelt in de persoon van ‘de Mantuaan’, de man uit Mantua. Deze combinatie van landbouwbedrijf en buitenplaats doet ook denken aan de landbouwbedrijven in de Veneto, waarvan sommige gebouwd werden door de bekende bouwmeester Palladio.
Halma noemt Neercanne ook een ‘lusthof van vermaak’. Sierelementen die hij beschrijft zijn parterres de broderie, geknipte taxusbomen, planten in potten, tuinbeelden, waterkommen en fonteinen, een obelisk, een belvédère en twee paviljoens. Deze zijn ook te vinden op de gravure van G. de Bruyn die Halma als illustratie opnam.
Uit de negentiende eeuw zijn twee tekeningen bekend, een van J. Lefebure uit circa 1840 en een anonieme uit 1848, waarop heel duidelijk de bomen en vaste planten die toen op het tweede en derde terras groeiden zijn te onderscheiden. Enige jaren geleden is een deel van de tuinen van Neercanne gerenoveerd, naar de laat-zeventiendeeeuwse situatie. Dit was niet eenvoudig, omdat over de originele tuinen weinig gegevens beschikbaar waren. Bij de renovatie is men uitgegaan van het behoud van de hoofdstructuren van de tuinen. Ook de oude begroeiing van de hoge warme mergelmuren met druiven, abrikozen, perziken, witte en rode rozen, achtte men naast de wilde begroeiing van gele helmbloem, belangrijk.
Voor het benedenterras langs de weg heeft de tuinarchitect W.J.A. Snelder een nieuw, modern ontwerp gemaakt, gebaseerd op de zeventiende-eeuwse parterre de broderie. De centrale parterres rond het bassin werden in strakke, moderne vormen uitgevoerd. De middenas van Neercanne, die doorloopt in de overtuin, was waarschijnlijk gericht op Huis Lichtenberg aan de Maas. Deze overtuin is eigendom van de Stichting Het Limburgs Landschap en is niet in de renovatie meegenomen.
Boven het kasteel ligt het Cannerbos. Een dergelijk hellingbos is een typisch Zuid-Limburgs verschijnsel. Het bos volgt in een smalle strook de steile dalwanden van de Jeker en is botanisch zeer interessant. Omstreeks 1700 lag hier een sterrebos met aan de rand een tuinkoepel.
Kasteel Neercanne en het Cannerbos zijn nu een geliefd recreatief doel voor de inwoners van Maastricht. In het Cannerbos groeien veel voorjaarsbloemen en er is een rijke vogelstand. Ondergronds bevinden zich uitgestrekte mergelgroeven waar vleermuizen huizen. Heden ten dage is nog steeds de combinatie van economie en vermaak de reden van Neercanne’s bestaan. Het huis doet dienst als hotel en vergadercentrum, terwijl de gerestaureerde tuinen zijn opengesteld voor het publiek.”
Kasteel Wijlre is een buitenplaats voor cultuur en landschap. Op de buitenplaats komen hedendaagse kunst en architectuur samen met cultureel erfgoed en natuur. Er zijn vijf eeuwen met elkaar verweven: het kasteel uit de zeventiende eeuw, het Koetshuis uit de achttiende eeuw, het ontwerp van de kasteeltuinen uit de negentiende eeuw, de permanente kunstwerken in het park uit de twintigste eeuw, het kunstpaviljoen Hedge House en de hedendaagse kunsttentoonstellingen uit de eenentwintigste eeuw. Buitenplaats Kasteel Wijlre organiseert tentoonstellingen, interdisciplinaire projecten, events en educatieve activiteiten in het Hedge House, het Koetshuis en de tuin. Gerenommeerde kunstenaars als Richard Long, Tony Cragg, Ben Akkerman, Donald Judd, Stephen Wilks, Michel François, Marlene Dumas en Christian Jankowski zijn in het Hedge House en het Koetshuis in wisselende solo- en groepstentoonstellingen getoond. Buitenplaats Kasteel Wijlre is gelegen in de heuvels van Zuid-Limburg.
Mijn tekst uit de Gids: De naam Wylre wordt reeds in de twaalfde eeuw gebruikt wanneer in oorkonden over ‘Heren van Wylre’ wordt gesproken. Een eeuw later is er sprake van een versterkt huis dat in 1389 als heerlijkheid wordt aangemerkt. De kern van het huidige kasteel dateert echter pas van de tweede helft van de zeventiende eeuw. Johan Arnold van Wachtendonk erfde de heerlijkheid in 1652 van zijn moeder en begon spoedig daarna met de bouw van een nieuw huis. De vroegst bekende kaart van het terrein is de zogenaamde Tranchot-kaart uit 1802-1813. Hierop is te zien dat het huis op een omgracht terrein ligt, waarop ook een voorplein en twee bijgebouwen zijn gesitueerd.
Opvallend is dat huis en voorplein niet recht van voren tussen de bouwhuizen door benaderd worden, maar juist van opzij met toegang tot het voorplein tussen huis en bouwhuis. Deze zijdelingse benadering vanuit het zuiden bestaat nog steeds. Rondom de gracht ligt opnieuw een rechthoekig terrein, dat als tuin gebruikt zal zijn en dat eveneens door water omsloten wordt. Aan de noordzijde grenst een eveneens rechthoekig en door water omgeven perceel grond. Een dergelijke aanleg doet denken aan het Hollands classicisme dat kenmerkend is voor de zeventiende eeuw en zal vermoedelijk tegelijk met de bouw van het huis zijn ontstaan.
In de loop van de negentiende eeuw deed ook op Wylre de landschapsstijl zijn intrede. De bekende Maastrichtse architect en stadsbouwmeester Mathias Soiron (1748-1834) maakte omstreeks 1800-1810 enige ontwerpen. Ook werkte hij op Kasteel Neuburg. Of deze zijn uitgevoerd is onduidelijk. Ten westen van het huis werd, buiten de gracht, een nieuw park aangelegd en een gedeelte tussen de binnen- en buitengracht werd aangepast. Een koepel, waarvan nu nog de restanten te vinden zijn, zal hier deel van hebben uitgemaakt.
Johan Heinrich Fischer. Dubbelportret van Graaf Von Quadt en Mathias Soiron (rechts) voor kasteel Wickrath (1773). Museum Schloss Rheydt in Mönchengladbach.
Vanaf de eerste helft van de twintigste eeuw was de tuin ten oosten van het huis verdeeld in de nog steeds bestaande negen vierkante vakken. Uit mondelinge overleveringen is bekend dat de tuinarchitect John Bergmans (1892-1980) op kasteel Wylre heeft gewerkt, maar wat hij precies heeft gedaan, is vooralsnog niet duidelijk. Hoewel de tuinen in de loop der twintigste eeuw al verder waren verfraaid, onder meer met de aanleg van terrassen ten westen van het huis, dateert de huidige aanleg vooral van na 1980.
Onder invloed van de huidige eigenaren is een aantal fraai ingerichte tuinkamers, gescheiden door hagen en verbonden door zichtassen, tot stand gekomen. De Limburgse tuinarchitect W.J.A. Snelder (1928-2013) werkte hier vanaf 1985. Aan weerszijden van de oprijlaan, net voor de binnengracht, is een fraaie symmetrische siertuin (her)aangelegd. De tuinen worden door liefhebbers vooral gewaardeerd vanwege de decoratieve rozentuin ende bloementuin met borders op kleur in regelmatige stijl. Maar ook vanwege de moderne sculpturen van onder anderen Peter Struycken en Ad Dekkers en vanwege de wandelingen rondom het huis, door de boomgaard en door het landschappelijke gedeelte van het park met fraaie doorzichten. Opvallende oude bomen zijn een Gleditsia, een Ginkgo en een Liriodendron.
Op LInkedIn las ik vandaag een artikeltje met film van Jermo Tappel / Het Drentse Landschap over de nieuwe bewoners van Huis Overcingel in Assen. Ik zocht naar aanleiding van dit bericht mijn eigen tekst (uit de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, 1995) weer even op. Zouden die gegevens nog kloppen?
Huis Overcingel met toegangshek. Foto RCEJohannes van Lier Lels (1726-1700. Gravure
De buitenplaats Overcingel ligt midden in de stad Assen. Het huis werd vanaf 1778 gebouwd in opdracht van Johannes van Lier Lels, (1726-1799) naar ontwerp van de architect Abraham M. Sorg. Van 1753 tot 1758 was Van Lier gedeputeerde van Drenthe en in 1759 werd hij lid van de Etstoel. In zijn huis Overcingel zijn een aantal geschilderde behangsels met zeegezichten bewaard gebleven. Van Lier had ook een naturaliënkabinet en een verzameling mineralen en stenen. In die tijd was de tuinaanleg van regelmatige aard, bestaande uit een rechthoekig, langgerekt terrein, door een dwarslaan in tweeën gedeeld. Het deel het dichtst bij het huis was de lusttuin met een rond middenperk. In het volgende deel werden naar goed Nederlandse gewoonte nut en schoonheid gecombineerd: hier stonden in vorm gesnoeide fruitbomen in driehoeksverband en waren lommerrijke lanen aangelegd. Het geheel werd gecomplementeerd door een bescheiden zichtkanaal.
Toen H.H. van Lier in 1823 op het huis kwam wonen, werd een deel van de plaats in landschapsstijl veranderd, namelijk het deel tussen het huis en het zichtkanaal. De kleinschalige landschappelijke opzet met slingerbosje en vijver sluit aan bij de ideeën van de tuinarchitect Gijsbert van Laar, die bij landeigenaren onder meer bekend was door zijn voorbeeldboek voor tuinarchitectuur: Magazijn van Tuinsieraaden (1802-1809). Volgens overlevering is deze aanleg van de hand van de uit Rolde afkomstige tuinarchitect L.P. Roodbaard. Maar ook zou de fa. Vroom (voorvaders van Jan Vroom sr.) betrokken geweest kunnen zijn. Zij werkten meestal achter hereboerderijen in de kleinschalige negentiende-eeuwse landschapsstijl.
ToegangshekOvercingel tuinkoepel met buste van Hendrik van Lier. Foto RCE
In de tuin treft men een zogenaamde spiegelbol uit omstreeks 1900 (zie volgende bericht) aan, een tuinsieraad dat men niet vaak tegenkomt in Nederlandse tuinen. Bij het naderen van de bol ziet men een deel van de tuin in de bol weerspiegeld. Het heuveltje ten zuidoosten van het huis is na 1860 ontstaan. Hier staat een tuinkoepeltje met bronzen borstbeeld gemaakt door Johanna Smit. Het is een beeltenis van Hendrik van Lier, de laatste mannelijke afstammeling van de familie Van Lier. De tuin is vooral in het vroege voorjaar tijdens de bloei van de krokussen en sneeuwklokjes aantrekkelijk. Later in het voorjaar bloeien in de tuin een tulpenboom en een sneeuwklokjesboom. De buitenplaats is een beschermd Rijksmonument.
Overcingel, zichtkanaal. Foto RCE
Bovenstaande tekst heb ik geschreven voor de Gids voor de Nederlandse tuin- en landschaps-architectuur (deel 1, 1995). Na 2000 heeft de Afdeling Speciale Collecties van Library WUR een collectie tuinontwerpen en documenten van de tuinarchitect J.H.R. van Koolwijk ontvangen. Het bleek dat hij van 1949-1952 in opdracht van Mw. Van Lier Lels-Brocke met de beplanting van het landgoed bezig was geweest. Correspondentie en een beplantingslijst uit de periode 1949-1952 zijn bewaard gebleven.
Mijn vader had voor zijn gezin een vakantieplan uitgestippeld voor de jaren 1946 tot 1953, mijn Lagere School-periode. Dit plan heette ‘Vakantie langs de Nederlandse Kust’ en deed ieder jaar een strand-vakantieplaats aan in een van de kustprovincies, Friesland, NH, ZH, Zeeland. Hij hield niet van mondaine toeristische badplaatsen, maar zocht altijd een vakantiehuis enerzijds in de buurt van het strand en anderzijds dichtbij een natuurreservaat. Zo gingen we naar Vlieland (dichtbij De Vliehors); Schoorl (bij NH-Duinreservaat/vooral niet het mondaine Bergen aan Zee ); Katwijk (vooral niet Noordwijk); Ouddorp (bij De Kwade Hoek/Goeree); Westenschouwen (bij de Domaniale Bossen/vooral niet Renesse); Oostkapelle (bij De Manteling/vooral niet Domburg) en Cadzand (bij Het Zwin/vooral niet Knokke), om te eindigen in Oostvoorne op Voorne-Putten (dichtbij de Natuurreservaten De Beer en Voorne’s Duin), waar we jaren zijn gebleven. Onlangs kwam ik een strandfoto van mijn grootouders (van moeders zijde) tegen (ca. 1920), die een heel ander strandleven laat zien dan ik met mijn vader en moeder beleefde. Met die foto en aangevuld met foto’s en documentatie uit de Afdeling Speciale Collecties / Library WUR, stelde ik een kort overzicht van de opkomst van badplaatsen in Nederland samen.
C. Elandt. Aanleg Scheveningse Zeestraat. Ca. 1666. Coll. Library WUR
Van 1653 tot 1655 werd naar ontwerp van Constantijn Huygens de Scheveningse Zeestraat tussen Den Haag en Scheveningen aangelegd. Dit leidde in de 19de eeuw tot de opkomst van de eerste badplaats in Nederland, Scheveningen Bad.
Het Tolhek aan het begin van de Scheveningseweg in Den Haag. Coll. Library WUR
In de jaren twintig van de 19de eeuw kwam Zandvoort op als kuuroord aan zee. Het nemen van een bad in zee werd zeer goed voor de gezondheid geacht, evenals de frisse zeelucht, het wandelen langs het strand, het genieten van het schouwspel van de branding en de mooie luchten. Het water en het strandleven deden mensen goed en deden zorgen vergeten. Men raakte er van doordrongen dat baden en frisse zeelucht heilzaam waren voor de fysieke en geestelijke gezondheid. Langzaam aan ontwikkelde zich in Nederland het vakantie-strandleven met alles wat daarbij hoorde: een boulevard, hotels, restaurants, een casino, een kurhaus (met een staf van ‘verplegend personeel’), een villapark, en voor de minder bedeelde dagjesmensen de typische strandactiviteiten als paardje rijden, schelpen zoeken, zandkastelen bouwen en balspelen.
Zandvoort, . Links op de boulevard Hotel d’Orange. Ca. 1900. Badstoelen en badtentjes
In de tweede helft van de 19de eeuw groeiden ook andere plaatsen langs de Nederlandse kust uit tot badplaatsen: Bergen aan Zee, Noordwijk aan Zee, Katwijk aan Zee, Domburg aan Zee. Eerst werd een weg naar zee aangelegd en vervolgens een boulevard met hotels. Een villapark in de duinen completeerde het geheel. Een tram- of spoorlijn vergemakkelijkte natuurlijk de reis vanuit het binnenland aanzienlijk, zoals de aanleg van de spoorlijn van Haarlem naar Zandvoort (1881) en de tramlijn van Haarlem naar Zandvoort(1897). De aanleg van de tram vanuit Amsterdam (1905) was het begin van het dagtoerisme in Zandvoort, terwijl deze plaats eerder juist bekend stond als exclusieve badplaats voor de elite. De bekendste gast in Zandvoort was keizerin Elisabeth van Oostenrijk-Hongarije (Sissy). Zij verbleef in 1884 enkele weken in Hotel Kaufmann (het latere Hotel d’Orange, zie foto hieronder).
Zandvoort, Hotel d’Orange. Eind 19de eeuwZandvoort, ca. 1920. Mijn grootouders Amse met hun kinderen op het strand. (V.l.n.r.) mijn moeder Mies, Johan en Conrad. Achter de badstoelen is het wiel van een badkoets te zien en achter de rechter stoel een bad-verzorgster.Noordwijk. D. Wattez, ontwerp villapark in de duinen van Noordwijk, 1883. Coll. Library WUR
(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1883 werd de ‘Maatschappij Noordwijk tot exploitatie van Duingronden’ opgericht. Deze verwierf een groot duinterrein aan de zuidzijde van Noordwijk in eigendom om hier een villawijk te bouwen. Voor het ontwerp van deze wijk werd de tuinarchitect D. Wattez uit Bussum aangetrokken.
Zijn plan voorzag in de aanleg van een ruim 1200 meter lange, rechte boulevard langs het strand met hierachter ruim opgezette slingerende wegen waaraan de ruime bouwkavels kwamen te liggen. Reeds in maart 1883 werd met de uitvoering begonnen. In het centrum van de wijk lag een ruime weide met een kunstmatig gevormde duinkloof. Hieroverheen werd een rustieke brug gelegd, die echter na veertien jaar al instortte, waarna men de kloof dichtte. Geheel volgens de romantische idealen werden ook in het park een hertenkamp en een ‘laiterie’ of melkhuis aangelegd, die bijdroegen aan het ideaal van een ‘landelijke’ omgeving. Na de aanleg van de wegen werden in hoog tempo fraaie villa’s gebouwd. De oorspronkelijke opzet van de wijk is nog steeds goed herkenbaar in het karakteristieke verloop van de wegen en de ruime percelen, waarop de huizen omringd door veel groen staan”.
Zeeweg van Bergen naar Bergen aan Zee. Ontwerp L.A. Springer, 1906. Prentbriefkaart
(uit de ‘Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur’): “In 1906 werd door de tuinarchitect L.A. Springer de Zeeweg tussen Bergen en Bergen aan Zee aangelegd. Springer maakte in 1907 ook een ontwerp voor villapark Parnassia in Bergen aan Zee. Het oorspronkelijke plan dat Springer indiende, omvatte terreinen aan beide zijden van een rangeerterrein dat het eindpunt zou gaan vormen van de geplande stoomtram naar Bergen aan Zee. Tegenover het station zouden een café, een pension en een hotel worden gebouwd. De twee duinwandelparken, die Springer hieromheen ontwierp, zouden omgeven worden door villa’s of zomerhuizen, zodat er een echte badplaats tot stand kon komen. De opdrachtgever voor dit alles was het echtpaar Jacob van Reenen-Völter, dat het welzijn van de gemeente Bergen hoog in zijn vaandel had staan. Maar het ontwerp van Springer werd niet uitgevoerd.
Bergen aan Zee. Ontwerp Parnassia villapark door L.A. Springer, 1907. Niet uitgevoerd. Coll. Library WUR
In 1911 kwam er een heel ander wandelpark tot stand, waarschijnlijk naar de ideeën van mevrouw Marie A.D. van Reenen-Völter. Dit gerealiseerde park, met een symmetrische opzet, was aangelegd langs een middenas waarop drie cirkelvormige terreinen de concentratiepunten voor bezoekers vormden. In 1911 betrad men via een brede middentrap de duinvallei en kwam men in het eerste rondeel. Het centrum hiervan werd gevormd door een zeventiende-eeuwse vaas, geplaatst op een grasperk met rondom zitbanken.
Bergen, Parnassiapark, ca. 1920, waarschijnlijk naar ontwerp van Marie A.D. van Reenen-Völter. Prentbriefkaar .
Langs de hoofdas verder wandelend bereikte men, tussen de duinen door, het volgende rondeel met in dit geval een in het centrum geplaatste zonnewijzer. In deze ruimte stond ook de muziektent. Verdergaand langs de as liep men opnieuw tussen duinen door en bereikte men een derde groot gazon, omgeven door acht kleinere en versierd met een fontein. Naast deze wandelmogelijkheden zien we ook een speelveld en een stukje natuurlijk bos. De bermen van de wegen waren voorzien van een brede strook schelpen en alle wegen waren belegd met in eigen beheer vervaardigd kalkzandstenen plaveisel, dit alles om het stuiven van het duinzand tegen te gaan. In 1914 werd er op het terrein een botanische tuin aangelegd en een duinmuseum gebouwd. Deze situatie heeft bestaan tot aan de Tweede Wereldoorlog.
In 1953 werd het Parnassipark in Bergen aan Zee , met uitzondering van de tennisbanen, door de gemeente aangekocht en opnieuw ingeplant. Ook werden de paden en het museum opgeknapt. Het park beleefde een korte opbloei, die al spoedig door een periode van neergang werd gevolgd. In 1967 deed men nogmaals een poging het park te redden en werd op de plaats van het derde rondeel een dierenparkje ingericht, terwijl de eendenvijver een nieuwe bevolking kreeg. Dit naoorlogse herstel heeft echter niet meer geleid tot de luister ten tijde van het echtpaar Van Reenen. Wel is er een typerende duinbeplanting aanwezig met onder andere duinroos en duindoorn en de zeldzame Parnassia waarnaar het park is genoemd.”
Natuurreservaat Het Zwanenwater tussen Callantsoog en Petten.
En natuurlijk kennen we nu veel meer Nederlandse badplaatsen, waar uitgestrekte stranden zijn en het prima toeven is. Naast Texel en Vlieland zijn de eilanden Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog veel meer toeristen gaan trekken in de loop van de 20ste eeuw, om nog maar te zwijgen van de stranden van Callants-oog, Petten, Egmond, Castricum, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Kijkduin, Hoek van Holland, Rockanje en Vrouwenpolder, alle nu zeer aantrekkelijke vakantie-oorden.