Categoriearchief: Stadsparken

Beschermwaardige houtopstanden Amsterdam

Openbare Ruimte en Groen

Het college van B en W van Amsterdam heeft één centrale adviescommissie voor monumentale bomen ingesteld. Deze commissie adviseert de gemeente over welke bomen op de lijst ‘beschermwaardige houtopstanden’ moeten worden geplaatst. Door deze lijst behoudt Amsterdam een bijzondere collectie levend erfgoed die qua uitstraling, ecologie en educatie past bij de stad. Juliet Oldenburger maakt deel uit van deze adviescommissie.

Ruimte & Duurzaamheid en Monumenten & Archeologie hebben het initiatief genomen samen met de stadsdelen de kaart monumentale bomen en ander waardevol groen te ontwikkelen. De kaart geeft zowel de beschermwaardige houtopstanden weer (waaronder monumentale bomen) als de groene rijks- en gemeentelijke monumenten.

Kaart monumentale bomen en ander waardevol groen

Amsterdam plant al meer dan 400 jaar bomen. Storm, boomziekten en de dynamiek van de stad maakt echter dat de oudste bomen in deze stad ‘slechts’ zo’n 250 jaar oud zijn. Het grachtenpatroon met bomenrijen is uniek in de wereld. Om waardevolle bomen en houtopstanden beter te beschermen en beheren stellen stadsdelen – of voor grootstedelijke gebieden de centrale stad – lijsten van beschermwaardige houtopstanden vast. Dit gebeurt op basis van bomenverordeningen. De beschermde status houdt in dat een boom in principe niet wordt gekapt. Ook wordt er extra aandacht aan het beheer en aan het onderhoud besteed. De diverse lijsten zijn samengebracht op deze kaart.

Een ‘beschermwaardige houtopstand’ is een monumentale boom of een andere houtopstand, zoals houtachtige klimplanten, herdenkingsbomen, klim- en klauterbomen en bijzondere heesters. Een monumentale boom heeft minstens een van de volgende kenmerken: beeldbepalende waarde, cultuurhistorische waarde, natuurwaarde en zeldzaamheidswaarde. De minimale stamomtrek is 31 cm. Overige beschermwaardige houtopstanden kunnen ook jonger zijn, zoals bijvoorbeeld herdenkingsbomen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘boom die alles zag’ in de Bijlmer.

Groene rijks- en gemeentelijke monumenten
Op deze kaart is ook inzichtelijk gemaakt waar ‘groene’ gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden zijn (op basis van de Monumentenwet en Erfgoedverordening van Amsterdam). Denk aan het Vondelpark of de begraafplaats De Nieuwe Ooster. Weergegeven worden monumenten die (mede) aangewezen zijn vanwege hun historisch belang van de tuin-, plantsoen- of parkaanleg. Voor wijzigingen is bij dit soort monumenten een omgevingsvergunning nodig.

Op deze kaart is ook inzichtelijk gemaakt waar ‘groene’ gemeentelijke en rijksmonumenten te vinden zijn (op basis van de Monumentenwet en Erfgoedverordening van Amsterdam). Denk aan het Vondelpark of de begraafplaats De Nieuwe Ooster. Weergegeven worden monumenten die (mede) aangewezen zijn vanwege hun historisch belang van de tuin-, plantsoen- of parkaanleg. Voor wijzigingen is bij dit soort monumenten een omgevingsvergunning nodig.

Let op
Het is een kaart in ontwikkeling die wordt aangevuld zodra nieuwe beschermwaardige houtopstanden zijn benoemd of bestaande lijsten zijn geactualiseerd. Stadsdelen hanteren soms andere definities van monumentale bomen. Op deze kaart zijn alle bomen en houtopstanden ondergebracht onder bovenstaande stadsbrede definitie.

(voor het grootste deel overgenomen van: https://www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/monumenten/gebouwen-gebieden/monumentale-bomen/

De tuinarchitect John Bergmans en de catalogi van Kwekerij Abbing te Zeist

Jl. Vrijdag 11 januari 2019 was ik te gast bij Kwekerij Abbing te Zeist omdat in hun prachtig aangeklede kas de presentatie werd gehouden van het nieuw verschenen boek over de tuinarchitect John Bergmans (1892-1980), getiteld John Bergmans Tuinarchitect en plantenkenner, uitgegeven door Uitgeverij Verloren in de reeks BONAS Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse architecten en stedenbouwkundigen. Auteurs van het boek zijn Marianne van Lidth de Jeude en Johanna Karssen-Schüürman.  De heer Paul Machielsen hield een levendige inleiding over de geschiedenis van de kwekerij waar Bergmans ook ooit werknemer was.

Paul Machielsen vertelt over de historie van Kwekerij Abbing.

De oudste catalogi van kwekerij Abbing

Zie verder voor een indruk van de catalogi lager en onder volgende tekst.

Ik had met het tot stand komen van het boek niets te maken gehad, behalve dan dat ik in 1980, dus bijna veertig jaar geleden de collectie tekeningen, boeken, documentatiematerialen etc. als conservator van de Bibliotheek van de toenmalige Landbouwhogeschool (Wageningen) had mogen ontvangen. Dat ‘ontvangen’ had voor mij als kersverse conservator (aangesteld in begin 1980) nog heel wat voeten in de aarde gehad, daar ik weliswaar conservator was geworden van een rijke landbouwkundige bibliotheek en van de bekende Springer-Collectie (ontwerpen van de tuinarchitect Leonard Springer, 1855-1940), maar nog geen beleid had ontwikkeld over het aantrekken van nieuwe collecties. Ik stortte me na de overhandiging dus maar samen met mijn kersverse bibliotheek-assistente op het inventariseren van deze omvangrijke collectie, zonder nog te weten hoe ik de afdeling Speciale Collecties (boeken en tijdschriften en ontwerpen/tekeningen/documenten) zou gaan uitbouwen. Dankzij het inventariseren van deze collectie werd me gaandeweg duidelijk waarom deze collectie met ontwerpen etc. van John Bergmans zo belangrijk was en waarom dit het begin was van de uitbouw van de Springer-Collectie en het begin van de unieke verzameling ontwerpen Tuin – en Landschapsarchitectuur, die nu bestaat uit duizenden en duizenden ontwerpen en documenten. De filosofie achter deze uitbreiding werd door mij verwoord in een artikel in het tijdschrift GROEN (oktober 1981, p. 453-458), getiteld ‘De John Bergmans-Collectie in de Centrale Bibliotheek van de Landbouwhogeschool’.  Hierin wordt uitgelegd waarom deze ontwerpen van John Bergmans naast de collectie ontwerpen van Springer zo’n belangrijke aanvulling vormden en dit beleid/filosofie is zeker 30 jaar nadien altijd het uitgangspunt gebleven. Het komt er op neer dat ontwerpen etc. worden opgenomen als ze wel in een zekere verhouding staan met de Springer Collectie. Zijn  de ontwerpen qua tijd voorafgaand of opvolgend aan de ontwerpen van Springer, vullen zij hiaten in de Springer Collectie op, zijn de ontwerpen van tijdgenoten van Springer of zijn ze getekend in dezelfde stijl of juist in een andere door Springer gehate stijl? Ook de locaties zijn belangrijk natuurlijk. Zijn de locaties vergelijkbaar met die waar Springer werkte of worden er juist regio’s belicht waar Springer niet werkte zodat ook hier weer van een aanvulling sprake is? Vormt de nieuwe collectie een tijdsbeeld of geeft het alleen herhalingen? Een optelsom van deze uitkomsten en nog andere (zie artikel) heeft mij als conservator altijd geholpen nieuwe collecties wel of niet aan te nemen. In het geval van de Bergmans -collectie werden de ontwerpen en documenten opgenomen in de Bibliotheek LH / Speciale Collecties en gingen de door Bergmans geschreven boeken en tijdschriftartikelen en kaartsystemen (op botanisch gebied) op verzoek van de botanicus dr. Onno Wijnands naar de vakgroep Plantensystematiek, omdat deze vakgroep dit materiaal vaker zou kunnen gebruiken.

De geschiedenis van de tuin- en landschapsarchitectuur is mede door de komst van de Bergmans-collectie (en later natuurlijk door veel meer andere collecties) duidelijk op de kaart gezet en de verzamelingen  op zichzelf zijn uniek voor Nederland te noemen.

Later in de jaren negentig (schat ik) werden in de Afdeling Speciale Collecties ook de verzamelde kwekerscatalogi (verzameld door het Instituur RIVRO) aangenomen als zijnde een meerwaarde voor de verzamelingen tuinontwerpen. Lang niet compleet (dat is onmogelijk), maar wel een rijke unieke collectie.  De collectie Abbing-catalogi is in Wageningen zeker niet compleet te noemen en daarom was het zo interessant dat Abbing jl. vrijdag speciaal voor deze gelegenheid een mooie tentoonstelling had gemaakt van al hun plantencatalogi. Het nu verschenen boek over John Bergmans behandelt overigens ook de door Bergmans in zijn ontwerpen voorgestelde bomen, heesters en vaste planten. Zij vormen een karakteristiek plantenbeeld uit zijn tijd.

Hieronder en hierboven een indruk van de catalogi die hangen in de kas (winkel) van Abbing en die u nog wel even kunt bewonderen.  Het adres is Odijkerweg 132-134 – 3709 JJ Zeist +31 (0) 343 513741.

IMG_0588.JPG

 

Het was beslist een levendige en interessante en goed verzorgde bijeenkomst. Dank aan Kwekerij Abbing.

Stadstuin in Soerabaja, ca. 1900. Wie was de ontwerper?

Dit weekend kwam ik bij het opruimen van ons zomerhuisje een leuke oude foto tegen van de Alun-alun (centrale plein) van Surabaja. Hier bevond zich vroeger de stadstuin, maar helaas heeft deze plaats moeten maken voor het gebouw van Bank Indonesia. In de tuin werden op zaterdag- en zondagavond volksconcerten gegeven. In Nederland werden dit soort parken, ontstaan vanaf ca. 1850,  volksparken genoemd. Op de tweede foto zien we een deel van de muziektent.

Oude foto van de stadstuin, ca. 1918. Wie was de ontwerper?

Tweede oude foto van de stadstuin, eind 19de eeuw

We moeten toch eens op zoek gaan naar de ontwerpers van dit soort parken en buitenplaatsen, zoals de tuin van Raden Saleh, die 2 Berichten terug al werd  getoond. Tuinarchitecten/ontwerpers in Ned. Indië vormen tot nu nog  een geheel onontgonnen  groep. Waren dat Nederlanders? Natuurlijk kennen we wel namen van architecten die in Ned. Indië hebben gewerkt, zoals Berlage (gaf lezingen en adviezen), Ed Cuypers, W. M. Dudok, J.F. Klinkhamer en C.P. Wolff Schoemaker, maar van tuinarchitecten is niets bekend. Werden die parken dan alle door architecten ontworpen? We zullen er eens dieper in moeten duiken.

Zie ook Bericht ‘Oldenburgia-Familiegeschiedenis / 100 jaar geleden-2. Terugblik’ dd. 19 oktober 2018. Deze briefkaart hoort namelijk bij een serie briefkaarten die Andreas Sibren Groustra heeft gekocht in Soerabaja toen hij rond 2016 in Soerabaja vertoefde en op de Zeevaartschool al daar zijn Diploma Tweede Stuurman behaalde.

John Bergmans (1892-1980). Biografie

JOHN BERGMANS (1892-1980)

Het doet ons veel genoegen gelezen te hebben dat in december 2018 een boek zal verschijnen bij Uitgeverij Verloren, over de plantenkenner en tuinarchitect  John Bergmans. De auteurs zijn Johanna Karssen-Schürmann en Marianne van Lidth de Jeude.

Eerder werd zijn werk belicht in de Gids voor de Nederlandse Tuin- en Landschapsarchitectuur, deel 4 (2000):

Johannes Baptiste (John) Bergmans werd op 6 juni 1892 in Antwerpen geboren. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog in dienst van het Belgische leger, maar vertrok naar het neutrale Nederland, waar hij tot zijn dood in 1980 bleef wonen (vanaf ca. 1924 in Oisterwijk). Hij was hovenier bij de firma Van Empelen en Van Dijk, een kwekerij in Aerdenhout; later had hij ook verbintenissen met andere kwekerijen. Dat blijkt ook uit zijn ondertekening van diverse artikelen die hij schreef in het tijdschrift Floralia. In 1921 staat onder zijn naam de vermelding ‘Koninklijke Kweekerij Tottenham, Dedemsvaart’ vermeld,  waar hij in ieder geval tot 1926 als  ‘Chef de Cultures’ in dienst was. Verder werkte hij voor Turkenburg te Bodegraven en voor J.H. Faassen-Hekkens’ boomkwekerijen te Tegelen. Bij deze laatst genoemde kwekerij was hij omstreeks 1939 in dienst als hoofd van de afdeling tuinarchitectuur.

Hij trouwde met J.M.W. Visser (geboren 5 april 1900 in Amsterdam) die de Middelbare Tuinbouwschool voor meisjes, ‘Huis te Lande’, te Rijswijk had doorlopen.

De tot heden vroegst bekende tuinontwerpen van Bergmans zijn gemaakt voor zijn schoonvader, de heer J. Visser, directeur van het bedrijf N.V. Arendshoven te Oisterwijk. Dit bedrijf gaf Bergmans deze opdracht in 1924.

Bergmans schreef vanaf 1920 talrijke artikelen (ca. 1000!) over planten en beplantingsmogelijkheden; daarnaast schreef hij tussen 1923 en 1940 tien boeken waaruit zijn grote liefde voor groen blijkt, naast zijn bijzonder goede en grote plantenkennis, waarvoor hij verschillende keren werd onderscheiden. Vanaf de eerste uitgave van het tijdschrift Dendron (een uitgave van de International Dendrology Union) in 1954, werkte hij mee als redacteur. Zijn artikelen verschenen in de beginjaren vooral in het tijdschrift Floralia (1920-1934); later schreef hij ook voor de Revue Horticole (l92l), voor het Weekblad Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw- en Plantkunde (1927-1936), voor het Orgaan van Huis te Lande (1931), voor Buiten (1933-1935), voor Cultuur en Handel (1949-1956) en voor het hierboven vermeldde Dendron. Boeken van zijn hand zijn: Rotsplanten in kleine tuinen, Amsterdam 1923, 2e druk 1930; Vaste planten en rotsheesters, Haarlem 1924, 2e druk Tegelen 1939; De rotstuin, praktisch handboek . . . , Amsterdam 1928; Rots- en muurtuinen, 2e druk van De rotstuin, Amsterdam 1934; Schoon Oisterwijk, z. p l . , 1930; Zomersche bloemenweelde, Amsterdam 1934, 2e druk 1936; De tuin bij het huis, Amsterdam 1936, 2e druk 1962; Sierheesters en parkbomen, Amersfoort 1939 Bomen en Struiken, Naarden 1940  Alles over kamerplanten, Amsterdam 1967, 2e druk 1968.

Bergmans werkte zowel in de architectonische als in landschappelijke stijl. Zijn ontwerpen overspannen het interbellum en de wederopbouw.

ISBN 978-90-8704-750-4 ingenaaid, geïllustreerd. NUR 648/941. ±288 blz.,  Prijs ±€ 29,–

Nieuw eendenhuis voor Doesburg

In ons bericht van 26 februari jl. berichtten wij:    “Via via kreeg ik de vraag of wij beschikten over plaatjes of bouwkundige tekeningen van een (historisch) eendenhuisje, passend in een vijver bij De Bleek in Doesburg ”

Het resultaat (zie foto) is een prachtig nieuw eendenhuis bij De Bleek in Doesburg. Het is 2 september geopend door de burgemeester, met fanfare en gezang. . Volledig  initiatief van de burgers van Doesburg.  Oude foto’s uit het Stadsarchief, een beetje hulp van kenners van “tuinsieraden” waaronder ons bureau en handige en kundige burgers hebben tot iets moois geleid. Doesburg, wees er trots op.

Wie wint de Carla Oldenburger-Ebbers Penning?

De Carla Oldenburger-Ebbers Penning 2017 wordt  21 juni as. voor de tweede maal uitgereikt. Wie de winnaar is zal die middag op buitenplaats De Leemcule in Dalfsen bekend worden gemaakt.

In 2009 heeft de Stichting Tuinhistorisch Genootschap CASCADE de Carla Oldenburger-Ebbers Penning ingesteld. Cascade riep daarmee een prijs in het leven, genoemd naar haar oud-voorzitter en bedoeld om jong wetenschappelijk talent te stimuleren (jong is leeftijdsloos). De prijs gaat vergezeld van een bescheiden geldbedrag.

Voor de Carla Oldenburger-Ebbers Penning
komen onderzoekers in aanmerking die aan het
begin van hun (nieuwe) loopbaan staan en die een opmerkelijke wetenschappelijke scriptie, artikel of andere publicatie hebben uitgebracht die betrekking heeft op de geschiedenis van de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur en die aansluit op de doelstellingen van Cascade. De kwaliteit wordt getoetst aan de voor de universiteiten en hogescholen gebruikelijke normen.

In september 2016 ging een oproep voor kandidaten uit en op 21 juni 2017, tijdens de Cascade MidZomerNacht bijeenkomst, wordt de winnaar bekend gemaakt. In het navolgende worden de zes genomineerden en hun onderzoeken in willekeurige volgorde aan u voorgesteld.

Anna van Gerve

Anna van Gerve (1986) studeerde Beeldende Kunst aan de Gerrit Rietveld Academie en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 2014 behaalde zij aan dezelfde universiteit haar diploma van de research-master Art Studies met een scriptie over de openbaar groen projecten van Louis G. le Roy in de jaren zeventig.

Een nieuwe dialoog met de natuur.
De positie van Louis le Roy in de ontwikkeling van natuurlijker openbaar groen in de jaren zeventig. Artikel in Stadsgeschiedenis, 2014.

In de jaren 1970 werd Louis G. le Roy (1924-2012) bekend vanwege zijn ecologische experimenten in de openbare ruimte. Zijn autonome project de Eco-kathedraal, waar hij zich vanaf 1983 volledig aan wijdde, heeft echter veruit de meeste aandacht gegenereerd in de vakliteratuur. Dit brengt het gevaar met zich mee dat Le Roy als eenling en buitenstaander wordt neergezet en niet in de context van de tuin- en landschapsarchitectuur wordt bekeken. Het is zeer de vraag of deze karakterisering van Le Roy wel voldoende recht doet aan zijn werk en motivaties. Op basis van drie vergelijkende analyses (met heemparken, natuurparken en wijkgroen) laat deze studie zien hoe Le Roy’s theorie en praktijk zich verhielden tot het denken over en omgaan met natuur in de stedelijke omgeving in de jaren 1970. Op die manier kan een beter begrip verkregen worden van Le Roy’s plaats in de tuin- en landschapsarchitectuur en van de waarde van zijn gedachtengoed voor de hedendaagse samenleving.

Gerrit van Oosterom

Gerrit van Oosterom (1975) studeerde landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen waar hij in 2015 cum laude afstudeerde. Als PhD onderzoeker is hij sindsdien verbonden aan het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen voor zijn onderzoek naar de rol die boerderij en buitenplaats binnen de ontwikkeling van de buitenplaatscultuur in de driehoek Leiden-Amsterdam en Utrecht. Daarnaast is hij als landschapsarchitect werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

Gronden van vermaak. Een reconstructie van de ontwikkeling van buitenplaatscultuur en het buitenplaatslandschap langs de Oude Rijn tussen Leiden en Utrecht (1600-1900). Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen, 2015.

In de zeventiende en achttiende eeuw ontstaat er langs de oevers van de Oude Rijn tussen Leiden en Utrecht een buitenplaatslandschap van meer dan 125 buitenplaatsen. Twee eeuwen later zijn de meeste al weer gesloopt of omgevormd tot boerderijen. Dit reconstructieonderzoek levert voor het eerst een overzicht van de ruimtelijke opzet en de ontwikkeling van dit buitenplaatslandschap als totaal en de gebied specifieke factoren die de ontwikkelingsgeschiedenis bepaalden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de invloed van kleiwinning op zowel een versnelde afbraak als de opkomst van een nieuwe groep eigenaren. De sterke verwevenheid tussen boerderij en buitenplaats die tot in de negentiende eeuw hier als volwaardige buitenplaats blijkt te kunnen voortbestaan geeft eveneens het gebied een eigen signatuur. Het onderzoek laat daarmee zien dat er in de buitenplaatscultuur van de Republiek en het jonge Koninkrijk ook binnen West Nederland grote regionale verschillen waren waardoor de hegemonie van de Vechtstreek als nationaal referentiemodel voor andere gebieden mogelijk aan nuancering toe is.

Willem Weiland

Willem Weiland (1940) behaalde zijn doctoraal economie in 1964 en deed de master culturele wetenschappen in 2015. Werkzaam was hij als reserve officier Koninklijke Luchtmacht, senior organisatieadviseur bij Bakkenist, Spits en Co. en algemeen directeur van de papiergroothandel Proost en Brandt. Hiernaast vervulde hij diverse nevenfuncties op nationaal- en Europees niveau in de papierbranche. In zijn vrije tijd tennist, wandelt en fietst hij, en speelt hij trompet.

Groen erfgoed: het Volkspark De Leidse Hout in Leiden Functies en gebruik van het park 1931 – 2014. Masterscriptie Open Universiteit, 2015

In de negentiende eeuw waren de leefomstandigheden van de lagere klassen slecht. Gaandeweg werden er initiatieven ontplooid ter verheffing van het volk.
In Leiden kwam rond 1900 de wens naar een volkspark naar voren waarbij de bevordering van de volksgezondheid een belangrijke reden was. Het eerste Volkspark werd in 1921 in gebruik genomen en omgedoopt tot Kooipark. Dit park was 1,8 ha groot, maar al in 1919 werd een plan ingediend voor een groter park van 20 ha. Passend in het uitbreidingsplan van Pieter Verhagen ontwierp landschapsarchitect Klaas van Nes een park voor sport en spel: De Leidse Hout. In 1931 werd het wandelpark geopend, het sportpark volgde negen jaar later. Een bospark met openluchttheater werd in 1958 toegevoegd aan het oorspronkelijke ontwerp. Decennialang werd het begrip “volkspark” niet voor De Leidse Hout gebruikt. Pas met het verlenen van de gemeentelijke monumentenstatus in 2009 werd het park omschreven als het “Volkspark De Leidse Hout”.

Dit volkspark vervulde maatschappelijke en biologische functies. Bij de maatschappelijke functies kwamen aan de orde: de recreatieve-, de educatieve-, de sociale -, de decoratieve-, de rituele- en de commerciële functies. De functies veranderden niet in de loop van de tijd maar het gebruik binnen een bepaalde functie wel. Het lijkt alsof er geen grenzen zijn aan wat mensen bedenken voor de besteding van hun vrije tijd. De biologische functies waren altijd al aanwezig maar zijn relevant geworden door de toegenomen aandacht voor het leefmilieu en de klimaatverandering.

Fenny Ramp

Fenny Ramp (1990) studeerde in 2016 af als architectuurhistorica aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens haar stage bij de afdeling Monumenten en Archeologie van de Gemeente Amsterdam groeide haar fascinatie voor stedenbouw en landschapsarchitectuur van de twintigste eeuw, door haar onderzoek naar het Sloterpark. Tegenwoordig werkt ze bij Architectenbureau Office Winhov en doet ze onderzoek naar L.S.P. Scheffer, hoofd Stadsontwikkeling 1928-1952, voor een toekomstige publicatie van Paul Scheffer.

‘Ten gerieve des volks’. Een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van een uniek volkspark: het Sloterpark. Masterscriptie Universiteit van Amsterdam, 2016

Groen werd binnen het Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam (AUP) uit 1934, voor het eerst in de Amsterdamse geschiedenis als een voorziening voor het volk gezien. Het Sloterpark lag, als het groene hart, centraal in de westelijke uitbreiding van het AUP. Het park werd door Cornelis Van Eesteren en Jakoba Mulder ontworpen als een groot volkspark met een breed scala aan recreatievoorzieningen, zodat alle standen van de samenleving hier vrij konden recreëren. Er is naar gestreefd alle parkstroken, die wijken doorsneden, te verbinden met het Sloterpark. Dit zorgde voor een groene dooradering van de Westelijke Tuinsteden.

In deze masterscriptie wordt onderzocht hoe vroeg twintigste-eeuwse moderne opvattingen over stedelijke groenvoorzieningen het ontwerp voor het Sloterpark bepaald hebben. Twee thema’s in de ontwikkeling van de Amsterdamse groenvoorzieningen van de negentiende en twintigste eeuw blijven steeds terugkeren in dit onderzoek. Dat is enerzijds de toepassing van het concept ‘volkspark’, anderzijds is dat de ontwikkeling van stedelijk groen tot een fijnmazige groenstructuur dat als integraal onderdeel in stadsplanning werd opgenomen. Beïnvloed door de internationale kennisuitwisseling duiken beide thema’s voor het eerst in Amsterdam op in de negentiende eeuw en ontplooien zich begin twintigste eeuw tot geaccepteerde concepten in de Amsterdamse stedenbouw. Het ontwerp voor het Sloterpark belichaamt een uniek moment in de geschiedenis van de Amsterdamse groenvoorzieningen, omdat beide thema’s in het ontwerp voor dit park worden vertegenwoordigd. Er was nog nooit zo systematisch en grootschalig over aanleg van groen nagedacht.
De ontstaansgeschiedenis voor het Sloterpark wordt in deze scriptie in een brede historische en theoretische context geplaatst. Op deze manier wordt getracht de actuele discussie over herbestemming, behoud, beheer, restauratie en bescherming van het Sloterpark en volksparken uit de wederopbouwperiode in het algemeen, te bevorderen.

Ietse-Jan Stokroos

Ietse-Jan Stokroos studeerde in 2015 af als landschapshistoricus. Tijdens zijn studie richtte hij zich vooral op het doen van onderzoek naar kleinschalige groenelementen binnen de tuin- en landschapsarchitectuur, zoals tuinen, parken en begraafplaatsen. Op dit moment is hij werkzaam bij Landschapsbeheer Groningen. Hier houdt hij zich met name bezig met de inrichting van monumentale boerenerven en slingertuinen.

Graven in het Landschap. Vormgeving en inrichting van begraafplaatsen in Nederland in het interbellum.  Masterscriptie Rijksuniversiteit Groningen, 2015.

‘Graven in het landschap’ is de titel van een onderzoek naar de vormgeving en inrichting van begraafplaatsen in Nederland in het interbellum, de periode tussen beide wereldoorlogen. Dit was een periode van veranderingen op maatschappelijk en cultureel vlak en op het gebied van ontwerpstijlen binnen de tuin- en landschapsinrichting.

Het onderzoek geeft de geschiedenis van de lijkbezorging door de eeuwen heen weer. Naast begraven is het cremeren aan de orde gesteld. De periode waarnaar onderzoek is verricht, het interbellum, is beschreven aan de hand van verschillende belangrijke thema’s voor die periode. Tussen 1918-1940 zijn 271 begraafplaatsen van verschillende signaturen aangelegd. De inrichting en vormgeving van deze begraafplaatsen is geanalyseerd. Dit heeft tot een indeling in typen geleid. Verschillen zijn te vinden in inrichting, bouwwerken, beplanting en symboliek. Per begraafplaats is een tekening gemaakt waar in een grove schets de situatie is weergegeven.

In Kerk-Avezaath is een, voor het interbellum, bijzondere begraafplaats aangelegd. Door zijn diagonale lijnenspel valt deze dodenakker op. In een detailstudie wordt uit de doeken gedaan hoe het proces van planvorming en uitvoering tussen 1935-1938 tot stand is gekomen.

Jorinde Nijhuis

In 2009 begon Jorinde Nijhuis haar opleiding kunst- en architectuurgeschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Haar interesses liggen op het gebied van tuinen, landschap en funeraire architectuur. Naast andere werkzaamheden schrijft ze artikelen over deze onderwerpen. Meest recent verscheen een artikel over de Lijnbaanhoven van Rotterdam in het tijdschrift Puntkomma.

De tuinen van Beeckestijn, een onderzoek naar feit en fictie in de geschiedenis van het ontwerp. Masterscriptie Vrije Universiteit Amsterdam, 2014.

De tuinen van Beeckestijn worden vaak beschreven als een uniek stuk erfgoed waarin twee bijzondere stijlen naast elkaar zijn te zien: een geometrische tuin naar Frans voorbeeld en een meer natuurlijk Engels landschapspark. In de twintigste eeuw werd besloten om deze tuinen te herstellen naar voorbeeld van een opmeting van architect J.G. Michael (1738-1800), overgeleverd in een kopergravure uit 1772. In twee restauratiefases, begonnen in respectievelijk 1959 en 1996, werden de tuinen gerestaureerd dan wel gereconstrueerd naar voorbeeld van deze gravure. Doel was het ontwerp van Michael in zijn glorie te herstellen. Ook in de literatuur die over de historie van Beeckestijn is verschenen vormt de gravure van 1772 vaak het uitgangspunt. Het is opvallend dat één bepaalde gravure zo centraal staat in zowel de geschiedschrijving van Beeckestijn als in de restauratie van de tuinen. In haar scriptie wordt daarom onderzocht welke rol de opmeting van Michael heeft gespeeld in de historiografie van Beeckestijn en in de omgang met de tuinen in de twintigste eeuw. Hoewel de gravure van 1772 een belangrijk object van onderzoek is, is er wellicht een al te bepalende betekenis aan gehecht. Enige nuance is op zijn plaats. Welke status aan de gravure moet worden toegekend is niet zeker. Is het een ontwerp, een weergave van een werkelijke situatie of een ideaalvisie? Bovendien zijn ook andere fasen in de ontwikkelingsgeschiedenis van de buitenplaats van belang voor het karakter van Beeckestijn.

(samenvattingen overgenomen van http://www.cascade1987.nl/documenten/Cascade%20-%20genomineerden%20COE%202017.pdf/)

Ontwerp en Beplantingsplan van L.P. Zocher in Rhenen

L.P. Zocher in Rhenen: Ontwerp en beplanting van Noorderplantsoen (Kon. Elisabethplantsoen)
L.P. Zocher in Rhenen. Ontwerp en beplanting van Noorderplantsoen (Kon. Elisabeth Plantsoen). In het tijdschrift OUD RHENEN (JG  36, nr. 2 - mei 2017) van de Historische Vereniging  Oudheidkamer Rhenen en Omstreken zal deze week een artikel van onze hand verschijnen, getiteld L.P. Zocher en de Noordwal in Rhenen. Hierbij onze lezers al vast aangeboden.

Kon. Elisabeth Plantsoen met op de achtergrond de Panoramamolen te Rhenen.  Omstreeks 1910. Part. Coll.

 

Zochers OnLine Nieuwe editie April 2017

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Na ruim vijf jaar is de Zochers OnLine editie uit 2011 eindelijk herzien en vermeerderd. De structuur van deze Internet-publicatie is veranderd; persoonlijke gegevens zijn aangescherpt; enkele Zocherparken zijn uitgewerkt; nieuwe belangrijke illustraties zijn toegevoegd, o.a. het schilderij van Wybrand Hendriks ‘Directeuren en werkende leden van het Haarlemse Teekencollegie’, uit 1799 en een belangrijke kaart van de locatie van de Bloemisterij op Rozenhagen uit 1882; vele aktes en contracten omtrent Rozenhagen, afkomstig uit een particulier familie-archief zijn toegevoegd; de projectenlijst is qua jaartallen en opdrachtgevers aangevuld en bijgesteld. Zonder fouten is het document beslist niet. Aanvullingen en commentaren zijn daarom uiterst welkom.

We zijn erg blij met alle belangstelling voor dit document. In talloze onderzoeksrapporten zien we zinnen uit dit geschrift terug (met of zonder bronvermelding, foei); in Haarlem/Bloemendaal  werd het na overleg gehanteerd als uitgangsdocument voor lezingen en fietsroutes;  in Zuid-Holland werd het in overleg gebruikt als onderlegger voor hun ‘Handreiking bij beheer en herstel’ van Zocherparken .  Ook vele Zocher-onderzoekers en instituten namen onze biografische en geografische Zocher-gegevens graag over.

We hopen dat ook andere provincies met veel Zocherparken (Noord-Holland, Gelderland, Utrecht) in overleg met ons bureau onze studie gaan gebruiken.

Zie: Zochers pagina. De editie uit 2011 is herzien en vermeerderd.

Portret van vader Jan en zoon Louis Zocher in de Zocherstraat in Amsterdam

‘Geef straten een gezicht’:  Zocherstraat bij het Vondelpark in Amsterdam.

 Sinds nov. 2015 is een portret van Jan en Louis Zocher te zien in de Zocherstraat  / hoek Overtoom, in Amsterdam. Foto Carla Oldenburger

Zie ook Portraits Zocher family.  (Bericht 9 december 2016).

(tekst gedeeltelijk overgenomen van Gioia Endt, Het Parool 16 november 2015):

“In veel straten in Oud-West zijn ze al te vinden boven de straatnaambordjes: panelen met daarop een afbeelding en gedicht of tekst van de persoon naar wie de straat is vernoemd. Paul Fennis: ‘De straatnamen kennen we, maar veel bewoners hebben geen idee wie de persoon was en waarom er een straat naar hem of haar is vernoemd. Ik wil de straten meer persoonlijkheid te geven.’

In 2013 bedacht Paul Fennis ‘Geef Straten een Gezicht’. Bij hem om de hoek – Fennis woont al 26 jaar op het J.J. Cremerplein – in de Staringstraat staat een gebouw dat een groot wit vlak op de muur had. Hij wilde daar een portret en gedicht van Staring op afbeelden. Toestemming van de eigenaar van het pand en de welstandscommissie had hij al. ‘Het zou zevenduizend euro gaan kosten, dat vond ik te duur. Ik wilde nog wel iets doen met het portret. En zo kwam het eerste paneel van de Cremerbuurtserie er.’

In de buurt zijn alle straten vernoemd naar dichters en schrijvers, dus hij kon meteen meerdere borden ophangen. En het sloeg aan. In de afgelopen twee jaar kregen de Borger-, Bellamy-, Helmers- en Da Costabuurt panelen van Fennis. Hij merkt dat steeds meer mensen het opmerken en het leuk vinden.

Bij het ophangen van het paneel in de Gillis van Ledenberchstraat liep een groepje kinderen langs. ‘Ze waren verbaasd dat de man vierhonderd jaar geleden leefde. Door de afbeeldingen zien ze hoe mensen er toen uitzagen, met die grote kragen. Zo krijgen ze een idee van die tijd.’

Regiegroep
Het voorwerk kost driekwart jaar. Na het uitzoeken van een gevel en het aanbellen bij bewoners moet Fennis zijn initiatief indienen bij de regiegroep van de buurt. Deze groep bepaalt of een deel van het buurtbudget wordt gebruikt. De ene keer gaat dat makkelijker dan de andere keer. ‘Voor de Frederik Hendrikbuurt zat ik tussen negen dames. Zij waren zo enthousiast dat ze direct een subsidie voor vijf panelen toekenden.’

Als de regiegroep heeft ingestemd, gaat Fennis opzoek naar de juiste lijsten, afbeeldingen en teksten. ‘Voor de eerste series kwamen mijn afbeeldingen nog bij antiquariaat Boek en Glas vandaan. De eigenaren Peter en Conchita van der Linde hielpen mij met het uitzoeken van de juiste portretten en tekst.’

Nu komen de afbeeldingen bijna allemaal bij het Rijksmuseum vandaan. Voorlopig is hij nog druk met het project. Woensdag hangt hij weer een aantal panelen op: zes in de Da Costabuurt, een dubbelportret in de Zocherstraat van vader en zoon Zocher en drie in de Zeeheldenbuurt. Binnenkort zit hij weer aan tafel bij de dames van de Frederik Hendrikbuurt. ‘Ze vroegen of ik weer langs wilde komen. Ik sta enthousiast in de startblokken.’

Op Facebookpagina Geef Straten een Gezicht is het hele proces te volgen.”

Natuurlijk een prachtig initiatief en je vraagt je af “Wie volgt?”

Er zijn zeker veel meer straten in Nederland naar tuinarchitecten vernoemd. Een heel bijzondere ‘straat’ is de steeg in Stiens (Fr.) die naar Gerrit Vlaskamp is genoemd. Hij ligt vlak bij de door hem ontworpen en aangelegde tuin van het doktershuis in Stiens, die door de familie Van Riemsdijk de afgelopen jaren zo prachtig is gerestaureerd.

Foto Aly Westra -van der Mark, 2014.

Na een snelle oriëntatie op Internet kwam ik tot het volgende lijstje straten, lanen etc. genoemd naar tuinarchitecten:

Zocherstraat Amsterdam
Zocherstraat Haarlem
Zocherstraat Rotterdam
Zocherstraat Alkmaar
Zocherstraat Wijk bij Duurstede                                                                              Jan David Zocherstraat IJsselstein

Jan Bijhouwerstraat IJsselstein
Jan Bijhouwerstraat Purmerend

Daniel Marotstraat Velserbroek
L. Brownstraat Velserbroek
A. Molletstraaat Velserbroek
H. Reptonstraat Velserbroek
L. Roodbaardstraat Velserbroek
H. Poortmanstraat Velserbroek
M. Ruysstraat Velserbroek
J. Bijhouwerstraat Velserbroek
L. Springerstraat Velserbroek
J. Paxtonstraat Velserbroek
Zocherplantsoen Velserbroek
J. Michaelpad Velserbroek
W. Kentstraat Velserbroek

Leonard Springerlaan Meppel. Met dank voor foto aan Maja Salverda

Leonard Springerlaan Haarlem
Leonard Springerstraat Waddinxveen
Leonard Springerstraat Groningen

En er zullen er vast nog wel meer zijn. Wie weet willen anderen dit initiatief wel overnemen???

Eendenhuisjes

Via via kreeg ik de vraag of wij beschikten over plaatjes of bouwkundige tekeningen van een (historisch) eendenhuisje, passend in een vijver bij De Bleek in Doesburg. Dergelijke vragen zijn gewoon leuk om in te duiken, omdat we er zelf ook weer van kunnen leren. Hier volgen dus wat geschikte huisjes naar ons oordeel. Het huisje dat we goed kennen staat op de buitenplaats Kasteel Keukenhof. De anderen vonden we op Internet.

Het eerste plaatje is een echte bouwkundige tekening (aanzien en plattegrond) van enige eendenhokken in de Stationsstraat in Sneek uit 1898. Rechts het eendenhok. De wanden zijn waarschijnlijk gevormd door aangesmeerd stro met of zonder cement vermengd, of door cement waarin boomtakken zijn ‘gegraveerd’, bekend als cementrustiek.

Hieronder het eendenpaleis van de eenden op Kasteel Keukenhof. Door de  neogotische spitsramen wordt de bouwstijl van het huisje neogotisch genoemd en wordt het gedateerd tweede helft negentiende eeuw. Het huisje staat op een soort eilandje.

Dan volgen twee foto’s van een huisje op het landgoed Oranjewoud te Oranjewoud, met rieten wanden en een rond  rieten dak op een eilandje. Het oorspronkelijke huisje dateert uit het midden van de 19de eeuw.

Het volgende eenden-eiland is gelegen in het Kronenburgerpark te Nijmegen.

Op buitenplaats de Colckhof te Heino staat het volgende bijzonder mooie eendenhuis. De eigenaar is Natuurmonumenten en zij zeggen hierover: “Op buitenplaats De Colckhof staan twee bijzondere tuinsieraden. Het pittoreske eendenhuisje staat aan de oever van de vijver. Gebouwd in vakwerkstijl gecombineerd met cementrustieke wanden. Met een fors overstekend rieten dak met windveren en kleine vensters met roedenverdeling staat hier een buitenplaatswaardig eendenverblijf.”

En onderstaande ‘eendenvilla’ aan het water is een eendenhuisje en tegelijkertijd een folly, of tuinsieraad. Ik zou het een ‘rotshuisje’ willen noemen. De foto werd genomen door Martin Klamper.

Het laatste zeer markante huisje wat we nog willen vermelden, is dat op de buitenplaats van Kasteel Nijenrode. Het is een rijksmonument en de de Rijksdienst Cultureel Erfgoed zegt hierover: “Het EENDENHUIS staat aan de zuid-oostelijke zijde van een halfcirkelvormige vijver. De vijver bevindt zich tegenover het tennishuisje met het labyrinth in het zuidwestelijke deel van het park van de buitenplaats Nijenrode. De talud van de vijver is bekleed met natuurstenen blokken. Ter plaatse van het eendenhuis is een keermuur van deze blokken opgebouwd. Het houten huisje staat op een rechthoekige onderbouw van gemetselde natuurstenen blokken en is gefundeerd op de keermuur en op vierkante pijlers die in het water staan. De houten opbouw met zadeldak (oorspronkelijk met riet gedekt) is circa één meter hoog. Het houten vakwerk is ingevuld met sierpanelen bestaand uit halfronde delen in verticale, horizontale en diagonale positie. Aan de voorzijde (noordwestzijde) bevinden zich twee rechthoekige openingen. Waardering Het gebouwtje is van algemeen belang vanwege de architectuurhistorische waarde als gaaf bewaard voorbeeld van een eendenhuis uit het begin van de twintigste eeuw, vanwege het bouwtype en het materiaalgebruik alsmede van cultuurhistorische waarde als functioneel onderdeel van de buitenplaats Nijenrode. Het eendenhuis heeft ensemblewaarde vanwege de ligging binnen de parkaanleg van het buiten en de ruimtelijk-functionele relatie met de andere onderdelen van het complex. (bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)”.

Helaas is de mooie foto niet te downloaden. Zie Google onder “eendenhuis Nijenrode”.

Jan Holwerda, bedankt voor de hulp.